Van villawijk naar krantenwijk
Het beeld van een op de slikplaten, door de modder slobberende vrouwtjes bergeend naast een waakzaam rondkijkend mannetje is kenmerkend voor iedere vogelaar. Het herinnert je aan die heerlijke vakantie op de Waddeneilanden, waar je zittend op een duintopje over het drooggevallen wad uitkijkt en waar je voor altijd had willen wonen. Wadden en duinen is bij uitstek het biotoop van de bergeend. Fourageren op de wadden en broeden in de duinen. Vorstelijk! Maar er is echter sprake van een noodgedwongen verhuizing bij de familie bergeend...
’t Is geen gans en ’t is geen eend, bergeenden zijn zogenaamde halfganzen. Gansachtig is het identieke verenkleed van man en vrouw. Bij eenden verschillen de sexen aanzienlijk in uiterlijk. Broedzorg door de man, die vrouw en kuikens naar de voedselplek begeleidt, is ook helemaal des gents en not done bij de woerden. Fourageren doet de bergeend weer als een eendachtige. Lekker modderen en slobberen door de bagger. Met z’n gevoelige snavel zeeft de bergeend slakjes, schelpjes en andere waterdiertjes uit het slib. Dierlijk voedsel, waar gansachtige voornamelijk plantaardig voedsel tot zich nemen.
Een familie trekje van de ganzen dus, dat zorgzame, waakzame van de bergeendman. Waar zij staat, staat hij. Waar zij vliegt, vliegt hij. Geen moment verliest hij haar uit het oog uit angst zijn schatje aan rivalen te verliezen. Hij is het type man dat wél meegaat boodschappen doen. Mop vliegt dan altijd voorop en het veel forsere mannetje volgt in haar kielzog. Het ideaal beeld voor vrijwel iedere vrouw, toch?. In het voorjaar, wanneer bij het mannetje de bloedrode knobbel op de snavel door de hormonen opzwelt, is zijn uitstraling die van een gentleman. Met zijn klassieke kleuren - wit, donkergroen, rood en een mooie lichtbruine kraag- is hij een waardige vertegenwoordiger van het modehuis Gucci. Een charmante, goed geklede vogel. Een man met zo’n uitstraling kan zelfs twee vrouwtjes behagen, die beide in één nest hun eieren leggen. Bergeenden maken hun donsnest in konijnenholen. Bijna een maand zit het vrouwtje in het donker op de eieren terwijl manlief statig en alert op z’n duintop op de uitkijk staat.
Maar het is dus crisis, hè. Helaas, ook voor deze vogel met de juiste dresscode keerde het tij. Door de dramatische daling van het aantal konijnen, verdwijnt de huisvesting van de bergeend uit de duinen. Crisis op de woningmarkt…het klinkt bekend. Ook de aantallen vossen en meeuwen eisen hun tol, wanneer de pas uitgekomen kuikens als een schoolklasje door de duinen richting het strand drentelen. De familie bergeend op hun duintop is door al deze crisverschijnselen een zeldzaamheid aan het worden. Ze verhuizen steeds vaker naar onze polders, waar ze onder dichte vegetaties van gras en takken hun eieren uitbroeden. De onberispelijk geklede gent moet daar de porriehoop of zoals op de foto een containe, als uitkijkpost kiezen. Nogal armoedig als je ooit op een chique duintop woonde. Ach ja, het is het tijdsbeeld; Van villawijk naar krantenwijk.
vriendelijke groet Joost Bouwmeester

Het
succes van een grote bek
Er werd een wedstrijd gehouden om het koningschap der vogels. De vogel die het hoogst kon vliegen zou tot koning gekroond worden. De arend rekende zich, cirkelend op grote hoogte, al tot winnaar. Maar als een duveltje uit een doos dook op het hoogste punt een heel klein brutaal vogeltje van onder zijn veren en ging luid jubelend met de titel aan de haal. Vanaf die dag stelde het kleinste vogeltje met de grootste bek zich voor met; Mijn naam is koning…winterkoning J.
Om akelige gedragingen van de mensheid aan de kaak te stellen, werden in Middeleeuwse fabels dieren “ter leering ende vermeack” als voorbeeld van menselijke misdragingen gebruikt. ‘Vermeack’ is helemaal gelukt. ‘Leering’ nog steeds niet, want het meeliften op andermans kwaliteiten en succes zoals het kleine vogeltje in de fabel, wordt nog steeds met nimmer aflatende ijver, schaamteloos door de mensheid gebezigd .
In werkelijkheid blijkt de winterkoning helemaal geen koning van de winter. De dreumes bluft en valt bij de eerste strenge vorst van zijn troon. Kleine vogeltjes hebben veel moeite hun warmte vast te houden en moeten daarom veel eten. De winterkoning is een standvogel, die hoofdzakelijk leeft van insecten en spinnetjes en die zijn onbereikbaar als de enige echte Koning Winter hard toeslaat. Als het gaat vriezen, sterven ze bij bosjes. Letterlijk en figuurlijk, want juist daar bij de bosjes houdt de winterkoning zich schuil en hoopt te overleven tussen kreupelhout en braamstruiken. Onder die zware levensomstandigheden slapen de zeer territoriale vogels bij uitzondering dicht bij elkaar in een warme kluwen in bv een nestkastje. Nood breekt wetten en wie niet sterk is, moet slim zijn, had de arend reeds ervaren. Principes overboord en aanpassen is het motto als je een winnaar wil zijn.
Al bij de eerste zonnestraal zet ie weer als vanouds een enorme strot op. De vrouwtje worden bejubeld, de concurrerende mannetjes van eigensoort uitgekafferd. De rondstruinende hond en kat worden van onderuit de braamstruiken ontvangen met een ratelend, mitrailleurachtig; trrrrrrrrrrrr. Met een staartje als de spoiler op een gepimpte BMW racet hij door het struikgewas langs de grenzen van z’n territorium. En zo moet ie dag in dag uit z’n kleine koninkrijk verdedigen. Een branie tussen de bramen.
En vrijwel standaard hoort bij een herrieschopper van klein postuur een groot probleem. Bij de winterkoning heet dat probleem; polygynie of te wel veelwijverij. Zodra de lente aanbreekt, begint hij driftig een aantal kogelronde nesten te bouwen. In z’n blinde ijver soms op onmogelijke plekken zoals onder de motorkap van de tractor die maandag weer aan het werk moet. Of in de oude jas van de boer die aan een spijker in de schuur hangt. Het maakt hem niet uit, zolang z’n meisje het maar goed vindt en een nestje uitkiest om haar eitjes in te leggen. Als ze eenmaal op de eitjes broedt, probeert hij onderwijl een ander vrouwtje te schaken, want hij heeft nog woonruimte genoeg. Dat losbandige leven heeft geleid tot ongeveer 600 000 broedparen en daarmee is ‘de koning’ een van de talrijkste ‘vogel’onderdanen van het koninkrijk der Nederlanden. Dat geeft deze praatjesmaker dan ook weer recht van spreken.
FOTO; Jan Hendriks
Vriendelijke groet

Edelstenen
rapen langs de vloedlijn
Barnsteen is gefossiliseerde hars uit naaldbomen en gevormd in het tijdperk tussen het Mesozoicum tot aan het Kwartair. In dat geologische tijdperk werd het nog zachte hars door onderdompeling in water of modder van de zuurstof afgesloten en versteende het tot een mooie warm bruine halfedelsteen. In de prehistorie waren de Scandinavische en Baltische landen bedekt met dichte ‘harsdruipende’ naaldbossen. Het Oostzeegebied is daarom de beste leverancier van barnsteen. Tijdens de ijstijd heeft het landijs veel grond met grote zwerfkeien maar ook kleine stukjes barnsteen vanuit dit gebied zuidwaarts gestuwd. Na de ijstijd steeg de zeespiegel en spoelde het zeewater het barnsteen uit de bodem om het ver van z´n oorspronkelijke plek weer af te zetten. Want…barnsteen drijft in zoutwater. Vooral bij stormen is het langs de vloedlijn tussen het bruinkoolhout en veen te vinden. Het bruinkoolhout is van elders, maar het heeft dezelfde lage dichtheid als barnsteen en verplaatst zich daarom op dezelfde wijze en met dezelfde snelheid door het zeewater.
Ellen en Wil zijn niet de eersten die begerig op de stukjes barnsteen ‘doken’. Al sinds het stenentijdperk werd barnsteen als sierraad gebruikt. Het kleedde geweldig af bij de toenmalige mode trend; een ongeschoren kop, lompen en een dierenhuid. Het werd eveneens magische- en medicinale krachten toegedicht want een ‘steen’ die drijft, ‘knettert’( oftewel statisch geladen wordt) als het over een dierlijke vacht wrijft en bovendien brandbaar is, moet wel een godengeschenk zijn. De naam barnsteen is dan ook afkomstig uit het Nedersaksische woord börnen dat branden betekent. Het Duitse woord Bernstein is daar weer van afgeleid. Tijdens de bloei van het Romeinse rijk ontstonden vaste verbindingswegen tussen de vindplaatsen aan de Oostzee en het Middellandse Zeegebied ,de zogenaamde barnsteenroute, om de kostbare, knetterende barnstenen te verhandelen. Behalve geneeskrachtig, had het dus ook een sociaal financiële werking. Het verbond volkeren immers en stimuleerde de toen prille economie. Soms bevatten mooie doorzichtige barnstenen de lijkjes van insecten uit de prehistorie. Aan de hand daarvan hebben de Romeinen het ontstaan van barnsteen uit hars kunnen verklaren. In de Griekse mythologie komt het barnsteen terug in de mythologische figuur Elektra. En nu gaat er een lichtje branden! Het Griekse woord voor het statisch geladen barnsteen is ‘elektron’; een negatief geladen deeltje. Ons woord ‘elektriciteit’ stamt daar vanaf. Verklaart dat de extase als je zo’n ‘glimmer’ in je hand koestert?
Vriendelijke groet

Na de stormen van afgelopen dagen spoelden er veel zeedieren met dergelijke prachtige namen aan. Tussen al dat moois lag op het strand voor Noordwijk een nog levend vreemd wezen. “Aha, een harig beest uit zee’, is wellicht de eerste gedachte bij de vondst. Nog nooit gezien, absoluut een allien.
Nadere inspectie laat een rij stekels en lange parelmoerachtig gekleurde haren zien aan de zijkanten van het lichaam. De donkergrijze, viltig behaarde rug bezorgde het beest de naam fluwelen zeemuis (Aphrodite aculeata). Tot ongeveer 1950 spoelden ze regelmatig aan, maar tegenwoordig zijn zeemuizen een zeldzame verschijning aan onze kust. Oorzaak van hun verdwijnen wordt gezocht in de opkomst van de boomkorvisserij met zware wekkerkettingen. Deze vismethode harkt de zeebodem om waarin de zeemuis half ingegraven leeft en ondergronds opzoek is naar wormen en zeedieren. Bij dit dier moet je je wel een geheel ander beest voorstellen dan een muis. Het is namelijk een 15 cm lange en 6 cm dikke harige worm. De onderzijde laat duidelijk de segmenten van een worm zien. De Latijnse naam Aphrodite is een verwijzing naar de godin van de liefde. Het heeft z’n oorsprong in een vergelijk met de vrouwelijke schaamstreek. Maar dan moet je wel héél erg lang op zee gezeten hebben.
Vriendelijke groet Joost Bouwmeester
Met een zware westerstorm pal op de kust blaast de wind heel veel zeevogels tot boven het strand. De enorme stromingen en wervelingen in het water maken massa’s voedsel los uit de zeebodem wat veel zeevogels aantrekt. Grote hoeveelheden afgeknotte- en grote strandgapers en Amerikaanse zwaardscheden vallen ten prooi aan de gulzige meeuwen. En meeuwen zijn weer ‘voer’ voor vogelaars. Zware najaarsstormen brengen zeevogelsoorten uit noordelijke gebieden naar onze kust. Tussen de duizenden zilver- en mantelmeeuwen is het dan de kunst om de als twee druppelswater gelijkende kleine- en grote burgemeester te ontdekken. Het ontbreken van zwarte vleugeltoppen verraadt hun aanwezigheid. Niet ver van deze meeuwen is ook hun eeuwige schaduw de donker gekleurde jager te zien, vooral de middelste jager en wat minder de grote jager. Boven de vloedlijn fladderen dwergmeeuwtjes als vlinders boven een bloemrijk veld. Telkens een duik naar het wateroppervlak, even aan tippen met hun rode pootjes en een snelle pikkende beweging met de snavel naar iets eetbaars wat daar drijft. Drieteenmeeuwtjes die in de zomer met duizenden de grote zeevogelkolonies op de klifkusten bevolken leven in de winter vooral midden op zee, maar patrouilleren nu toch ook boven de vloedlijn.
Een heldere ski- of stofbril op de neus, beide handen als een schaatser op de rug en nu tegenwind langs de vloedlijn om deze vliegkunstenaars te zien. Knokkend tegen windkracht 8 à 9 laat je het lijf weer volop werken. De schuimalg heeft een aaneengesloten schuimlaag gevormd en de schuimvlokken vliegen je om de oren. De vloedlijn is veranderd in een reusachtige cappuccino. Inderdaad, tijd voor een lekker bakkie koffie in een strandtent, als ie er tenminste nog staat. Geen wrakhout en geen drenkelingen gevonden maar wel een heerlijk dampend lijf, veel vogels en héél veel cappuccino.
Foto: Heel veel cappuccino aan de Katwijkse uitwatering( Joost van der Sluijs)


Het mag een hinderlijk en zelfs gevaarlijk
weertype zijn ,
maar mist maakt de natuur buitengewoon interessant. Die grillige
alleenstaande
boom, dat romantische laantje door het bos, een damhert op een duintop,
ze zijn
in nevelen gehuld ineens veel mystieker. Je wandeling door een
natuurgebied wordt
zowaar een ontdekkingstocht en als je de uitgang mist, zelfs een
dwaaltocht.
Mist is ook zeer functioneel voor de natuur, het
is
bijvoorbeeld van cruciaal belang voor het voortbestaan van het mos en
het
korstmos. Zij hebben immers geen wortelstelsel dat vocht uit de bodem
opneemt. De
worteltjes aan een mosplantje dienen slechts als verankering aan de
bodem. Alle
vocht en voedingsstoffen worden rechtstreeks via de celwanden uit de
vochtige lucht
opgenomen. Op een mistige dag zweven er
heel veel minuscule vochtdeeltjes in de atmosfeer en die bevatten ook
opgeloste
voedingsstoffen. De door droogte fletse en verschrompelde mossen en
korstmossen
zuigen zich vol als een spons en de duinbodem glanst bij dit weertype
in
prachtige tinten groen en grijs. Voor de spiegel in je badkamer gebeurt
eigenlijk het zelfde. Je smeert een revitaliserende crème op je
huid en violà
je bent weer jaren jonger, toch?
Vriendelijke groet Joost Bouwmeester
foto; Op ‘zomaar’een baksteen groeien 2
korstmossen; Dooiermos(geel)
en Muurschotelmos(grijs). De groene mossen zijn; Duinsterretje, Grijs
kronkelsteeltje, Muursterretje en Smaragdsteeltje



Luchtgevecht tussen zeevogels
Langs de randen van een depressie die boven zee een storm veroorzaakt, bevinden zich veel zeevogels zoals meeuwen en sterns. Niet opgewassen tegen de harde wind, worden ze vooruit geblazen totdat ze ergens tegen de kust gedrukt worden. En daar wordt de samenscholing van vogels van allerlei pluimage opgewacht door…èchte vogelliefhebbers, eveneens van allerlei pluimage. Vogelconcentraties lokken predatoren aan zoals bv de slechtvalk. Roofvogels slaan boven zee een vogel en brengen hun prooi op het land. Er is echter een familie zeevogels geëvolueerd - die van de jagers -die op een heel eigen manier op zeevogels prederen.
<>Jager zijn verwant aan de meeuwen en dat is eigenlijk ook wat een leek ziet; een bruine meeuw. Het zijn allen broedvogels van noordelijke gebieden en afhankelijk van de soort in de broedtijd te vinden op toendra’s of bij zeevogelkliffen. In het binnenkort uit te brengen boek ‘Tussen Tulpen en de Zee’ van de Noordwijkse Natuur- en Vogelbescherming valt te lezen dat je als bezoeker van ons strand kans hebt om van augustus tot november vier soorten jagers te spotten. Met typisch Nederlandse namen zoals kleinste-, kleine-, middelste- en grote jager weet je dan direct waar je aan toe bent; lekker helder, duidelijk en zonder poespas maar helaas fantasieloos. Daar is geen glas wijn aan te pas gekomen, terwijl er toch een vergelijk met De Daltons uit het Wilde Westen valt te ontdekken. Net als de familie jager zijn deze - van klein naar groot oplopende- vier broers Joe, Jack, William en Averell notoire rovers. Vanwege hun overlevingsstrategie worden de jagers beschouwd als kleptoparasitaire zeevogels. Parasitaire houdt in dat het fourageren in ieder geval ten kostte van het slachtoffer gaat. ‘Klepto’ heeft betrekking tot de ziekte kleptomanie of steelzucht, een psychiatrische stoornis waarbij de patiënt geen weerstand kan bieden aan de impuls om van alles te stelen. Met uitzondering van gloeiend ijzer of molenstenen. Zijn jagers dan gestoorde vogels? Nee, maar afhankelijk van de genoten opvoeding kun je stellen dat deze jagers of asociaal of slim zijn. Jagers verschalken hun portie voedsel namelijk door het van andere zeevogels te stelen. Tijdens de trek van zeevogels volgen ze de vogelstoet en kunnen waarschijnlijk aan de volle uitstulpende krop van een vogel zien of er wat te stelen valt. Vervolgens wordt de achtervolging ingezet en zien we een luchtgevecht zoals de Britse jachtvliegers in hun Spitfire tijdens WO II vertoonden. Goed te zien zijn dan , vooral bij de grote jagers, de lichte polsvlekken op de vleugels. Precies op die plek hadden de Spitfires ook een ronde vleugeltekening. Toeval? De jagers jagen net zolang achter hun slachtoffer aan tot ie z’n net gevangen visjes uitbraakt. Nog voor het weer in zee terug valt, vangt de jager het braaksel uit de lucht en slikt het lekker door. Cool of niet cool? In ieder geval wel cool om te zien voor nog zo’n èchte vogelliefhebber; de vogelspotter.Vriendelijke groet
FOTO René van Rossum. Kleine jager in een luchtgevecht met kokmeeuw

Het vuur dooft voor de vuurvlinder
Derde week september, het laatste ‘vuur’ is uit de zomer. Soms kan een helder zonnetje nog weldadig je huid verwarmen, als herinnering aan wat je de gehele zomer hebt moeten missen. Zonliefhebbers zoals de vlinders kwamen dit zomerseizoen niet aan hun trekken en hadden het daardoor moeilijk. Vlinderstruiken bleven leeg. De laatste hoop voor de vlinderliefhebber lijkt gevestigd op de kleine vuurvlinder. In de herfst zijn de aantallen van deze kleine vlinder het grootst. In drie generaties is vanaf mei de eerste vuurvlinder te zien. De soort geldt onder de vlinders als een zeer harde soort, een echte diehard die dus wel tegen een stootje kan en soms tot in november nog rondvliegt. Tenminste als de voorwaarden in orde zijn. En zon behoort toch echt tot de belangrijkste voorwaarde en wanneer die schijnt zijn de bloemen van laat bloeiende kruiden zoals boerenwormkruid, jacobskruiskruid en akkerdistel omgeven met een zwerm van soms tientallen exemplaren. De kleine vuurvlinder staat te boek als een grote drinker die veelvuldig z’n dorst komt lessen op de bloemen. Grote drinkers zijn gezellige drinkers en dat blijkt ook weer want meestal hangen ze met een klein clubje aan ‘de tap’. Vandaar uit wordt er regelmatig een wervelde dans ingezet. De gezelligheid is maar betrekkelijk want zoals bekend is er weldegelijk territoriaal gedrag aanwezig rond een tap. Voor de kroegbaas en de doorgewinterde stapper een bekend scenario. De mannetjes verdedigen onderling hun plekje aan de tap want ook de vrouwtjes moeten uiteindelijk hun dorst lessen. Kat in ’t bakkie, maar helaas veel kapers op de kust. Na wat heen en weer gevlinder, volgt de paring. De waardplant -de plant waar de eitjes op afgezet worden- is de schapenzuring. Een onooglijke plant die groeit op schrale droge grond waar vaak nauwelijks sprake is van een bloemrijk biotoop. Zodra de rups verpopt is tot een vlinder gaat ie op zoek naar die bloemrijke terreintjes waar het alweer gezellig druk is rond de tap. Tientallen vuurvlindertjes zitten als kleine kooltjes vuur op de bloemschermen en bij aankomst wordt er onmiddellijk gedanst. Om te leven zou je een vlinder moeten zijn. De cyclus van geboren worden, volwassen groeien, je voltanken en paren duurt echter slechts 2 à 3 maanden. Daarna dooft het vuur en neemt de volgende generatie vuurvlinders je plekje in aan de tap. Toch maar kiezen voor een lang leven in een economie waarin het vuur langzaam dooft na het historisch langste welvaartsfeest.
Vriendelijke groet

Bloeddrupje is een gifmenger
Vrijdag 24 juni, wie weet het nog? ’t Is dan Sint-Jansdag. Op deze dag wordt de geboortedag van de heilige Johannes de Doper herdacht en dat ontaardde gewoonlijk in een groots feest; het Sint-Jansfeest. Vroeger verzamelden mensen zich op dat feest rond een groot vuur en er werd tot diep in de nacht gedronken, gezongen en gedanst. Vanouds was dit het moment suprême voor de feestende vrouwen om een eigen ‘sintjan’ aan de haak te slaan. Zoals je op de foto ziet, houdt deze vlindersoort de kalender ook scherp in de gaten en ‘vlindert’ er lustig op los.
Loop even rond 24 juni door bloemrijke ruigten in bermen, graslanden en duinen en de kans is groot dat deze vlindersoort overal opvliegen. Vandaar dat de zwarte vlinder met rode stippen de Sint-Jansvlinder genoemd wordt. Onmiddellijk valt je dan op dat deze prachtige vlinder heel anders vliegt dan bijvoorbeeld de bekende koolwitjes of dagpauwogen. Geen mooie zweefvlucht tussen de vleugelslagen maar een strakke vlucht. Op hun landingsplaats klappen ze de vleugels ook niet boven hun lichaam samen, zodat je de onderzijde kan bekijken. Ze vouwen hun vleugels netjes als een dakje en dat is nu juist een van de kenmerken van een nachtvlinder. Bovendien hebben ze draadvormige antennes zonder het voor dagvlinders kenmerkende knopje aan het eind. Maar waarom vliegt een nachtvlinder op klaarlichte dag? Onder nachtvlinders zijn enkele soorten die de bescherming van het nachtelijk duister verruild hebben voor een leven in de zonnestralen. De Sint-Jansvlinder heeft die keuze ook gemaakt en misschien wel omdat de vlinder tijdens z’n evolutie een verdedigingsmechaniek heeft ontwikkeld. Om bijvoorbeeld vogelpredatie tegen te gaan, hebben insecten allerlei overlevingsstrategieën ontwikkeld. Zo ontwikkelden ze schutkleuren, maar ook felle schrikkleuren om de vogels te waarschuwen dat ze onsmakelijk of giftig zijn. Vlinders ontwikkelden zelfs de tekening van een oog op hun vleugels om predatoren te verwarren. En uit welk vaatje tapt de Sint-Jansvlinder dan wel om overdag onbevangen van bloem tot bloem te fladderen?
Sint-Jansvlinders zijn gifmengers en kunnen blauwzuurgas aanmaken. Ze hebben in hun lichaam blaasjes die cyanogene glycosiden bevatten en blaasjes met een enzym. Wanneer de rups of vlinder door een vogel in de snavel genomen wordt, komen die stoffen te samen en produceren in een chemische reactie met elkaar het uiterst giftige blauwzuurgas. De rupsen die in het nauw zitten persen bloeddruppeltjes uit poriën in hun huid en raken besmeurd met het gif. Zelf zijn ze onkwetsbaar voor deze gifstof en voor de mens is de concentratie te laag om schadelijk te zijn. De waarschuwing voor de giftige bloeddruppels lijkt weergegeven in z’n zwarte vleugels met 6 bloedrode druppels, of is dat toeval? De wetenschap heeft de familie waartoe de Sint-Jansvlinder behoort daarom bloeddrupjes genoemd.
En is er eigenlijk nog wel een toekomst voor deze gifmenger in een duurzame wereld die gelukkig steeds meer gif achter slot en grendel zet? Sint-Jansvlinders zijn gelukkig algemeen en vooral in onze kuststreek. De lange termijn grafiek vanaf 1850 is nog immer stijgend. Wel zit er rond 1970 een zeer zware dip in de trend maar dat geldt voor vrijwel alle op deze aardkloot levende soorten. In die periode namelijk was de mens de grootste gifmenger van de planeet en daar kon zelfs het gifmengende bloeddrupje niet tegenop.
Vriendelijke groet
Foto; parende Sint-Jansvlinder bij hun cocon.

Goudhaan
met goud bekroond
Dit weekend is er een mooie kans om op zoek te gaan naar de goudhaan. Je gedachten gaan in deze wereld vol onzekerheden wellicht onmiddellijk uit naar de kip met de gouden eieren. Begrijpelijk, je toekomst zou zomaar verzekerd kunnen zijn. De goudhaan behoort dan ook tot de heimelijke trofeeën van de ‘golddiggers’ onder de vrouwen die, tot grote ergernis van de geëmancipeerde vrouw, ‘carrière’ maken met hun goddelijke lijf. Soms maakt dat de goudhaan tevens een geluksvogel.
De goudhaan is ook werkelijk een
vogel, maar
is ie wel zo gelukkig? Bij de naam goudhaan associeer je misschien een
fiere,
alert kijkende vogel, mannelijk en klaar voor actie. Niets is minder
waar. Deze
goudhaan - slechts
IJl
geluidje
Nu de vogelzang in de bossen nog niet aangezwollen is tot een kakofonie van vogelgeluiden, waar alleen nog getrainde broedvogelinventariseerders wijs uit worden, kun je het ijle hoge geluidje van de goudhaan horen. Voorwaarde is wel dat je gehoor nog uitstekend is. Voor de klanten van Beter Horen geldt daarom; extra batterijen mee en het volume op max.
Om de goudhaan te vinden zul je de
naaldbossen
moeten bezoeken. Daar in de hoge toppen van de dennenbomen scharrelen
ze samen
met de mezen in groepjes rond. Niet voor lang meer, want ze vertrekken
op een
handvol na uit onze streek op weg naar hun broedgebied. Naaldbomen
genoeg in de
Duinstreek maar goudhanen houden namelijk niet van ‘lange naalden’. Ze
prefereren de korte naalden van sparren en die zijn schaars aan de
kust. Een
paar fijn sparren in een boscomplex kan echter al voldoende zijn om een
paartje
te huisvesten. Ze bouwen hun kleine nestje namelijk tussen de
afhangende takjes
aan het einde van de lange sparrentakken. In het overkapte nestje 9 tot
11 minuscule
eitjes van 11-14mm en
Het lijkt dat Moeder Natuur de prestaties van de goudhaan heeft willen bekronen, want het kopje van de vogel wordt gesierd door goudgele veertjes; een kroontje. ‘Goldcrest’ noemen de Engelsen de vogel vol trots. De Belgen toonden hun waardering door de goudhaan op een postzegel af te drukken. Dat scheelt vast in gewicht zullen onze zuiderburen gedacht hebben.
FOTO; Jan Hendriks
Vriendelijke groet

Waar is de
vredesduif?
De mensheid en de duif hebben een haat-liefde
verhouding. En
da’s mooi, want dat duurt vaak het langst. Vanaf het moment dat de duif
met het
olijftakje bij de ark van Noach terugkeerde en daarna tot de status van
vredessymbool verheven werd, heeft de mens de duif in z’n hart
gesloten. Maar
als het symbool van vrede en berichtgever aan Noach de hemel
verduistert door
zijn aantallen, klinken er plots schoten en wordt er kwistig met
vergiftigde
graankorrels gestrooid. Dubbele moraal?
In Europa is het hoofdzakelijk de houtduif die
vanwege zijn
voorkeur voor de graankorrel op de korrel genomen wordt. En toch, op de
enkele
agrariër na, houdt vrijwel iedereen van de houtduif, en iedereen
op z’n eigen
manier. Er is veel over deze vogel geschreven door wijze mannen als Jac
P.
Thijsse en poëten als Hans Dorrestijn. Door jagers over het
moeilijke schot en door
koks over hun smakelijke lichaam. Kortom, iedereen is weg van de
houtduif.
Zangvogel
Moord en doodslag
Een amoureuze vogel en daarom hebben we er ook
zoveel. Uit
drie legsels per jaar komen 1 tot 2 vogels per legsel ter wereld. De
totale
populatie van Nederlandse houtduiven zal over de 500 000 broedparen
gaan en de
geschatte Europese populatie tussen de 27 en 51 miljoen exemplaren. Dat
zijn er
heel veel, maar eentje mis je; Een hele mooie spierwitte duif met een
olijftakje in z’n snavel. Eerste waarneming van deze vredesduif was bij
de Ark
van Noach in het Midden Oosten aan de oevers van de Middellandse Zee
waar nu
moord en doodslag heerst. Razend zeldzaam geworden en daarna nauwelijks
meer op
die plek waargenomen. Waar is in vredesnaam de vredesduif? Zoek niet
langer
naar ‘de Mol’, maar vind snel die vredesduif, want hij lijkt hartstikke
dood.
Vriendelijke groet

Meeuw en duif
kansloos
De roofvogels zakten tijdens het broeden pardoes
door de
eieren. De schalen waren te broos geworden vanwege het onverantwoorde
gebruik
van bestrijdingsmiddelen(onder meer DDT) in de landbouw. De gifstoffen
werden
in de jaren ‘60 en ‘70 in de landbouw verspreid en waren via tal van
vergiftigde organismen weer samengekomen in de top van de voedselketen.
Achteraf niet zo slim, want daar bevonden wij ons ook. De chemielobby
was toen heel
sterk en ipv bijvoorbeeld een goedgebekte Antoinette Hertsenberg
(Radar) sprong
nog slechts Pipo de Clown rond op de
buis. Sapperdeflap, daar wordt je niet wijzer van. Wel waren op ‘het
nieuws’
regelmatig protesterende geitenwollensokkentypes te zien met lange
wilde haren
en overal baardgroei, die luidkeels waarschuwden voor de ontwrichting
van ons
ecosysteem. Deze zieners kregen na veel smaad uiteindelijk gelijk, we
kunnen ze
slechts een verkeerde marketing strategie verwijten. En behalve de
mensheid,
bevond zich in de top van de voedselketen eveneens de slechtvalk( Falco
peregrinus). Het gebruik van persistente bestrijdingsmiddelen werd
verboden en
vrijwillige natuurbeschermers deden grote moeite om de slechtvalk van
uitsterven te redden. De laatste broedplaatsen werden dag en nacht door
bewakers beschermd, want er bestonden helaas zielige mensen die heel
veel geld
boden voor een jonge vogel of nog gekker; voor een leeg geblazen ei.
Het heeft lang geduurd, maar toen het herstel
begon, verspreidde
de slechtvalk zich vanuit de Noord-Europese broedgebieden verrassend
snel naar
het zuiden. Adulte mannetjes blijven veelal in hun territorium en
verjagen de
nakomelingen, die dan gaan rond zwerven. De Latijnse naam ‘peregrinus’
betekent
ook zwerver. Het Duitse Wanderfalke en het Engelse ‘peregrine’ verwijst
daar
eveneens naar. Al zwervend bereikten de jonge vogels ook ons vlakke
landje. Wat
een probleem leek- het gebrek aan steile rotskliffen om op te broeden-
werd
snel door de slechtvalk zelf opgelost. Hoge gebouwen met ergens een nis
werden
als broedplaats uitgezocht, als er maar vogels te bejagen zijn. Het
cynische
geval wil dat een aantal eerste broedgevallen van de slechtvalk
plaatsvonden op
de hoge kerncentrales. Een win-winsituatie levert altijd snel een deal
op en op
tal van hoge gebouwen mochten natuurbeschermers nestkasten plaatsen.
Huppekee,
een kerncentrale met een groen imago! Helaas, geachte bestuurders,
daaronder
vallen geen windturbines van
Duizelingwekkend
Inmiddels broeden er in Nederland ongeveer 60 paar
slechtvalken en allen in nestkasten op hoge bouwwerken. Het dichtst
bijzijnde
broedpaar is sinds 2006 te zien op de
KPN-toren in
Haarlem. Op www.beleefdelente.nl
is zelfs een paartje life te volgen in hun nestkast.
Jaarlijks zijn in de Elsgeester- en Hogewegpolder
tussen
Rijnsburg en Voorhout twee en soms zelfs drie slechtvalken te zien. Ze
rusten
in de koebosjes of zitten gewoon op een grote kluit aarde te wachten op
de dingen
die komen gaan. Ze hebben het gemunt op de vele veldleeuweriken,
houtduiven,
goudplevieren, eenden en meeuwen. Zelfs ganzen zijn niet veilig als de
slechtvalk met duizeling wekkende vaart omlaag stort. Valkeniers
klokten bij
een afgerichte slechtvalk tijdens z’n karakteristieke druppelvormige
stootduik
een snelheid van 389 km/u. En natuurlijk geen traantje in die prachtige
ogen. Waar
de slechtvalk verschijnt om te broeden is men blij. Ze vangen met grote
behendigheid grote aantallen stadsduiven en meeuwen weg, tot groot
genoegen van
de stadsbewoners. Leiden heeft een probleem met dakbroedende meeuwen en
daarom
plaatste Naturalis een nestkast voor de slechtvalken op hun hoogste
gebouw
onder het motto; ‘Yes, we can too’. Zodra een echtpaar slechtvalk de
nestkast
gaat bewonen, grijpen ze vrijwel dagelijks een prooi uit de lucht.
Vanaf dat
moment hebben de meeuwen een probleem.
FOTO Jan Hendriks
Vriendelijke groet

| Van: | Joost Bouwmeester |
| Verzonden: | maandag 7 februari 2011 10:34:04 |
Wat een bikkel!
Plotseling verandert het duinlandschap ten zuiden
van de Noordwijkse
Koningin Astridboulevard. Ook al lig je als eenzame fietser kromgebogen
over je
stuur tegen de zuidwesten wind, in je betraande ooghoek bemerk je een
geheel
ander landschap. Je kan niet direct je vinger leggen op wat er nu zo
anders is
dan het duin ten noorden van Noordwijk. In de remmen toch maar om even
stil te
staan bij het veranderende landschap. De Coepelduynen, het
duingebied waar je nu over uitkijkt, is veel
heuvelachtiger en heeft een kaler, dynamischer karakter. Grote
stuivende
zandkuilen wisselen af met hoge
duintoppen met wuivende helmkoppen. Diepe duindellen lijken vanaf de
bodem in tweeën
gedeeld in een groenbegroeide noordhelling tegenover een schaars
begroeide
zuidhelling. Op de zuidhelling groeien op het kale zand in een los
patroon grote
bezemvormige planten die je niet eerder tegen kwam in andere
duinterreinen. De
zuidhelling ziet er uit als een steppe en daar zijn natuurlijk dan ook
de voor
een steppe klimaat geschikte organismen te vinden.
Inheems is de plant aan de kust van Spanje tot
Bretagne. In
het kalkrijke zeedorpenlandschap tussen Den Haag en IJmuiden verschijnt
de
plant plots weer. Vermoedelijk is de plant uit Frankrijk ingevoerd en
in de
Noordwijkse duinen uitgeplant om als zandbinder het dorp en de
duinakkers tegen
overstuiving te beschermen. Documentatie omtrent de toepassing van
duinaveruit
als beschermer van de zeewering is niet bekend omdat men toen nog niet
het
onderscheid maakte met de wilde averuit ,die meer landinwaarts
voorkomt. Vanuit
zijn eerste vindplaats Noordwijk is de duinaveruit vervolgens
uitgeplant naar de
andere zeedorpen.
Vriendelijke groet

De loftrompet
Elk voordeel heeft z’n nadeel. En
andersom. Een
inkoppertje. Winterse omstandigheden met veel ijs en sneeuw, zoals je
dat de
afgelopen twee jaar hebt mogen ervaren, leveren de natuur ook veel
voordeel. De
bezem gaat door de zwakke broeders. De selectie levert de sterkste
nakomelingen. Hard maar waar. Alles wat leeft, knokt voor z’n bestaan
en
daarbij lijken de vogels nog het meest bevoordeeld. Ze spreiden
eenvoudig hun
vleugels en stijgen op, op weg naar warmere oorden. Terwijl jij buiten
staat, druppel
aan je neus, diep weggedoken in je kraag en jaszakken, landen duizenden
vogels
in de polders en de duinen alsof het hier Chersonissos is. Eén
van die
jaarlijkse bezoekers van onze streek die nu eens niet voor de Keukenhof
komen,
is de wilde zwaan. En, tot schrik van de autochtone Nederlanders, ze
nemen het
gehele gezin mee.
Groepjes
Ieder jaar zijn vanaf november tot maart een paar families wilde zwanen in de Duin- en Bollenstreek aanwezig. Vaste prik in de infiltratiegebieden van de Amsterdamse waterleidingduinen waar ze fourageren op de ondergedoken waterplanten in de geulen en kanalen. Wilde zwanen grazen in de winterperiode het liefst op onze zeer eiwitrijke graslanden. Daarom zijn in de Hogeweg- en Elsgeesterpolder, rond vliegveld Valkenburg en de laatste jaren ook rond het Oosterduinsemeer altijd wel een 10 tot 20 exemplaren te zien. Daar valt op dat ze altijd in kleine groepjes dicht bij elkaar grazen. Tussen de spierwitte vogels met geel zwarte snavels lopen ook lelijke grauw grijze vogels met dof roze snavels. Dat zijn de jonkies van afgelopen zomer. Zij groeiden op bij serene meren en moerassen in de eeuwig zingende Scandinavische en Noord Russische naaldbossen en staan nu in de Hollandse klei.
Romantisch
Op een Fins meertje omringd door dichte donkere bossen begint het verhaal van het lelijke kleine zwaantje. Een klein veenmoeras met brede lichtgroene biezenzoom met daarin het smetteloos witte zwanenpaar. Ze steken helder af tegen het inkt zwarte water en de donkere boomstammen van de naaldbomen. Elegante, knuffelende bewegingen met hun nek, terwijl ze rustig zij aan zij voort gondelen op een spiegelglad wateroppervlak. Hun trompetgeluiden schallen door de eeuwig zingende bossen. Romantischer kan het haast niet. Pas dan kan je je voorstellen dat zij in ‘het wit’ jouw jawoord wil horen. Hun jawoord is die van eeuwige trouw en ‘tot de dood ons scheidt’. Zo’n jawoord lijkt de mensheid kwijt.
Na een broedtijd van ongeveer een maand kruip het lelijke kleine zwaantje uit het ei in een van dode waterplanten opgestapeld nest in de biezenzoom. Het weet zich verzekert van een ouderzorg die z’n weerga niet kent. Ma –zwaan helpt met voedsel zoeken en pa-zwaan waakt en valt bij gevaar met veel geweld aan. Met gestrekte nek trompetteren beiden regelmatig ten teken dat dit hun territorium is, dat voedsel verzekert is en de jonkies veilig zijn. Het gezin, hoeksteen van de samenleving.
De Arctische winter valt vroeg in en als de wind eindelijk gunstig is- ze hebben niet net als Schiphol 5 startbanen- stijgt het gezin met veel gespat tegen de wind in op voordat het meertje dicht vriest. De coördinaten van de Hogewegpolder en Elsgeesterpolder staan genetisch in hun hersentjes opgeslagen, want daar is het ’s winters goed toeven. Hoog in de lucht, netjes in V-formatie leggen ze de duizenden kilometers af. Bij aankomst steken ze de loftrompet. De graslanden liggen er nog.
Vriendelijke groet Joost Bouwmeester.

| Van: | Joost Bouwmeester |
| Verzonden: | dinsdag 18 januari 2011 12:21:19 |
Ramp
Verhuizing
Met het verplaatsen van de vorstgrens, verhuist het gehele broedvogelbestand van de boreale bossen van Scandinavië en Rusland naar het zuiden. Tegen wil en dank want het zijn standvogels. Ze voegen zich bij onze schaarse broedvogels en daarom zie je plotseling veel meer houtsnippen dan ooit, tot zelfs in je tuin. Houtsnippen zijn zeer schuw, vertrouwen blindelings op hun schutkleur en vliegen pas op het laatste moment voor je voeten op. De noordelingen zijn veel minder bekend met de kwalijke trekjes van de mens en wagen zich dicht in de menselijke bewoning. Daar onder de straatlantaarn en rond je huis is het immers net ietjes warmer en kan de vogel wel hier en daar onder een dichte polvegetatie de grond penetreren. Vogelwaarnemers zagen op een grasland in Noordwijk iedere nacht vele tientallen houtsnippen in de sneeuwlaag fourageren. Enthousiast vertellen mensen van hun houtsnip, die zomaar iedere nacht in de tuin rondscharrelt, maar helaas vliegen veel van deze vogels zich dood tegen de ramen. Houtsnippen zigzaggen gewoonlijk, zelfs in de duisternis door een wirwar van boomstammen en takken, en deinzen daarom niet terug om even snel tussen die twee raamkozijnen door te ‘swingen’. Bam, weer eentje minder. Zonder vogelsticker- silhouet van een roofvogel- herkent de vogel het raam niet als een ondoordringbaar object, maar als een vrije hemel. Dat kosten heel veel vogels hun nek. Wil je de houtsnip die jouw tuin bezoekt niet als een vod veren onder je raam vinden, informeer dan bij Vogelbescherming Noordwijk over het voorkomen van vogelaanvaringen met ramen.
FOTO; Leo Schaap

Niet de ijsmeesters van de Friese Elfstedentocht,
maar
vooral de watervogels hebben op het ogenblik een probleem, dat is wel
duidelijk. Tegen de koude zijn ze door een goed verenpak beschermd, het
is het
voedselgebrek dat slachtoffers gaat eisen. De ijsvloer belemmert het
zoeken
naar voedsel onder water. Ganzen en smienten kunnen bij deze
weersomstandigheden nog goed uit de voeten. Ze fourageren op de
weilanden, zelfs
al zijn die bedekt door een laag sneeuw. Om warmte te besparen worden
de poten
tijdens het grazen onder de buikveren getrokken. Ze gebruiken het water
hoofdzakelijk om veilig op te slapen. Nu dat de wateren dichtgevroren
zijn,
verkiezen ze een slaapplaats op het ijs, ook weer met ingetrokken
poten.
FOTO; Jelle van Dijk

Vriendelijke groet Joost Bouwmeester
| Van: | Joost Bouwmeester |
| Verzonden: | dinsdag 14 december 2010 8:30:2 |
Stiekeme sluiper
Plotselinge vorst verlamt het verkeer en zet het
spoor, waar
het toch al niet spoort, volledig stil. Het gehele landschap verstild
onder een
koude deken van ijs en sneeuw. Daarentegen komt de vogelwereld juist
weer
opgang. Al wat gewoonlijk op de vorstgrens de winterperiode hoopt te
overleven,
moet plotseling naar zuidelijker gebieden ‘verkassen’.
Spectaculair kan soms de vorsttrek van
duikers,eenden en
steltlopers boven zee genoemd worden. Boven land geven de naar zuid
vliegende karakteristieke
V-vormige ganzenvluchten aan dat het noordelijk onleefbaar is geworden.
Moederziel alleen
Maar terwijl je in je bedje onder een extra laag
dekens ligt
omdat de kachel de strijd tegen een harde oostenwind verliest, gaat de
nachttrek van bepaalde vogelsoorten gewoon door. Het geluid van
allerlei ganzen
is niet van de lucht. De hoge overslaande stemgeluiden van kolganzen,
het keffende
geluid van de brandganzen en de lagere gakkende geluiden van rietganzen
afgewisseld met de hoge fluittonen van grote groepen smienten klinken
vanuit
een nachtelijke hemel. Het klinkt allemaal als een gezellige boel daar
boven.
Moederziel alleen reist de waterral in diezelfde koude nacht naar
zuidelijker
streken. Een hele toer voor een vogel met op het eerste gezicht veel te
kleine
vleugeltjes. Waterrallen zijn, zoals de naam al aangeeft, afhankelijk
van
water. Ze leven in moerassen waar ze onzichtbaar tussen de rietstengels
sluipen
op zoek naar voedsel. Ranke hoge poten met lange tenen zorgen voor
houvast aan
de rietstengels en verhinderen het wegzakken op een drassige bodem.
Tijdens de
vlucht bungelen de lange poten onder het lichaam. Vliegen doen ze niet
graag,
het is meer een loopvogel die bij gevaar snel wegrent om in de
vegetatie te
verdwijnen. Het vogellijf is smal gebouwd zodat ie met z’n smalle
schoudertje
makkelijk tussen de rietstengels kan laveren om kikkers, visjes,
insecten of
zelfs vogeltjes te vangen. Ze zijn nog het meest te vergelijken met
waterhoentjes. Waterrallen zijn echter veel schuwer dan waterhoentjes
en laten
zich slechts zelden zien.
En hoe weten we dan dat er ongeveer 3000
broedparen in
Nederland zijn? Broedvogelinventariseerders laten de tv-kwis voor wat
het is en
gaan daarvoor ’s nachts de mistige moerassen in om te luisteren naar
z’n
ijselijk gegil. Het hoge schrille geluid klinkt als een speenvarken dat
gekeeld
wordt en wanneer de vogelteller het geluk heeft tegelijkertijd de brul
van de
roerdomp en de rauwe kreet van de blauwe reiger te horen is het
horrorscenario
kompleet en de broek vol. In dat scenario past de waterral naadloos
want het is
ook nog eens een lijkenpikker. Het veenmoeras is mede dankzij deze
bewoners de
bakermat van enge verhalen over mensen die langzaam in de modder weg
zakken en
veenspoken die ze daar wel even bij helpen. Maar nu heeft de waterral
zelf een
ernstig probleem. Het water is bevroren en daardoor de nood hoog. De
schuwe
vogels wagen zich zelfs overdag aan de randen van het rietmoeras opzoek
naar
plekjes openwater. Kwelwater uit de duinen is relatief warm. Slootjes
langs de
duinvoet zijn vaak nog onbevroren en daar kun je de waterrallen
aantreffen
tussen de watersnippen en de bokjes. Lentevreugd tussen Wassenaar en
Katwijk is
een kansrijk gebied om waterrallen te zien tijdens de vorstperiode.
Daar werd
deze foto gemaakt van een vissende waterral die zelfs bereid is om
kopje onder
te duiken in het ijskoude water.
FOTO; Jan Hendriks

\
| Van: | Joost Bouwmeester |
| Verzonden: | zondag 28 november 2010 15:37:22 |
Meer
staart dan vogel
Geen enkel jaar is het zelfde voor een vogelwaarnemer. Telkens weer een nieuw avontuur en telkens weer een verrassing wat er als zeldzaamheid onze streek binnen komt vliegen. Daarom is iedere vogelfanaat er dag en nacht startklaar voor. Om de pijn van een gemiste zeldzame vogelsoort uit te sluiten, houden vogelspotters onderling contact via een ‘birdalert’. Een bericht over het mobieltje waarschuwt de vogelspotter dat er wat zeldzaams te zien is. Zo kan het gebeuren dat het gezin in het weekend gezellig met elkaar rond de salontafel zit met een biertje, z’n tanden zet in de borrelnootjes en onderwijl z’n tanden laat zien tijdens een verhitte discussie over een bijt-incident in het betaald voetbal. Plots gaat het mobieltje af en kiest een van de gezinsleden de kortste weg over de salontafel richting de deur. Weken later nog herinneren ratelende geluiden van borrelnootjes in de stofzuigerslang zijn plotseling vertrek. Maar… terecht! Het display van het mobieltje vermeldde; witkopstaartmees en dan mag je je dat gedrag permitteren, toch?
Zeldzaam
| van: | Joost Bouwmeester |
| Verzonden: | zondag 28 november 2010 15:24:14 |
|
|
De waterspreeuw is een standvogel in z’n biotoop. De vogel heeft daar z’n natje en z’n droogje en derhalve geen trekdrift ontwikkeld. Wanneer de beken in de hoger gelegen bergen dichtvriezen daalt de vogel af naar de lager gelegen meren. Pas wanneer die dichtvriezen of door overpopulatie gaat de vogel op zwerftocht. Vanwege het ontbreken van kabbelende bergbeken is Nederland niet zijn favoriete reisbestemming. Er zijn gemiddeld slechts negen exemplaren per jaar in Nederland aanwezig, vermeldt een SOVON rapport. Bewoners van de duinstreek hoeven echter niet ver te reizen om een ontmoeting te hebben met de waterspreeuw. In de AWD nabij ingang de Oase stroomt een kunstmatige beek in een kilometerslange betonnen goot. De betonnen beek vormt exact het biotoop voor waterspreeuwen en daarom is het in Nederland de hotspot voor deze vogel geworden. Op het ogenblik verblijven er zelfs twee vogels en ze zijn uitzonderlijk mak. Je vind ze door op zoek te gaan naar de vogelfotografen. Daar waar ze met gigantische telelenzen twee hoog opgestapeld liggen, zit twee meter verder de waterspreeuw neurotisch te knikken dat ie het allemaal wel best vindt.
Foto 2; Joost van der Sluijs
Vriendelijke groet


| Van: | Joost Bouwmeester |
| Verzonden: | maandag 15 november 2010 19:29:59 |
Eerherstel
voor de pestvogel.
De donkere dagen van november en december zijn aangebroken. Ook dat nog nu de stemming er door de financieel economisch toch al niet zo best op is. Kan er niet iemand het licht aan doen? Tot overmaat van ramp meldt zich ook nog eens een onheilsbrenger. En niet zomaar eentje. Het is de pestvogel. Deze berichtgever van shit aan de knikker heeft een reputatie die terugloopt tot in de middeleeuwen. Volgens overlevering brak bij hun aankomst steevast de pest uit.
Stel je voor, je bewoont samen met je gezin en de complete veestapel een uit palen en riet opgetrokken hut midden in de veenmoerassen van Holland. Zonder kabel. Ongewis over buskruit en T-mobile. Het vriest dat het kraakt. Om water te krijgen, kookt je grote stukken ijs in potten. In de tochtende ‘huiskamer’ waai je zowat uit je berenvel en ’s nachts kruip je dicht tegen een mooi Drents heideschaap. 100 % puur wol en dus stukke warmer! De winter duurt lang, veel te lang. Het voedsel wordt schaars, het gezin verzwakt door de ontberingen. En als je dan uiteindelijk je ‘slapie’ tot overmaat van ramp in een rustig tempo ziet wentelen boven het open vuur, verschijnt daar ineens een grote groep kleurrijke vogels rond de hut. En dan breekt pas echt de pleuris uit want dat zijn pestvogels. De vogels verschijnen uit het niets en alleen dan als de levensomstandigheden door de koude ondragelijk zijn. Ze brengen allerlei ziekten mee weet je van je voorouders en één daarvan is de pest.
Hoe anders is het nu in een wijzer geworden wereld. Een grote invasie pestvogels afkomstig uit Noord-Scandinavie en Siberië heeft onze streek bereikt. Veel eerder in het seizoen dan ooit omdat de bessenvoorraad in hun leefgebied op is. De pestvogels hebben ondermeer de gekweekte lijsterbesbomen in de binnenstad van Leiden ontdekt en duiken en masse op de rode glimmende bessen. Vogelliefhebbers en natuurfotografen stromen toe en wachten uren bij soms slechts één enkele bessenstruik in een klein tuintje. Ramen en tuindeuren zwaaien open; ‘Se koume zo weer trug hor! Koppie koffie?’ Wie zwakke knieën heeft staat voor ie het weet met een borrel in z’n hand. ‘A joh, laat ze de pest krijge, neemt’r eentje’. De camera staat op statief gericht op een mooie zonbeschenen tros lijsterbessen. Als na een uur de pestvogel eindelijk op die ene tak met bessen landt, zakt ie tot overmaat van ramp met tak en al in de schaduw. ‘Nog maar eentje zeker’,hoor je vanuit het openstaande raam. Buurtbewoners stoppen met de fiets om de met apparatuur overladen vogelspotters in te lichten over hun laatste waarneming en de verblijfplaats van de groep pestvogels. Een klein kind roept slingerend vanaf haar fietsje ; ‘Ze zitten dahaaaaar’, en wijst supertrots naar de toppen van de hoogste boom. Zodra een helder sierrr- geluid als van een rammelende sleutelbos aanzwelt, storten de pestvogels zich allen tegelijk op de bessen in de lager gelegen bomen en struiken.
Een jongetje komt aanlopen met een dode pestvogel in z’n hand. Tegen de ramen geknald. De vogel zag waarschijnlijk in de ramen de spiegeling van een mooie rode tros bessen of die van de wolken en het vrije luchtruim. Weten die vogels veel van spiegelbeelden in ramen, ze komen uit de taiga. Daarom zijn ze ook zo mak en laten zich prachtig bekijken terwijl ze de bessen in hoog tempo naar binnen proppen. Kijk ‘s naar die mooie helder gele veren en fel rooie lakpuntjes. Lichtpuntjes in de donkere dagen. Eerherstel voor de pestvogel vanwege een nieuwe belangrijke functie. t Is volksvermaak geworden.

FOTO; Jan Hendriks
Vriendelijke groet
| Van: | Joost Bouwmeester |
| Verzonden: | zondag 17 oktober 2010 19:10:3 |
De heerschappij van
de adelaarsvaren
Varens verschijnen aan ons in vele vormen en maten
maar
altijd zonder bloemen. Bekendst en meest gewaardeerd is de cilindrisch
gevormde
varen met mooie lichtgroene geveerde bladeren. Karakteristiek
verspreidt over
de bosbodem in een donker, vochtig bos bezorgen zij ons het
‘oerwoudgevoel’ in
een kil land. In onze ontkalkte binnenduinrandbossen groeit een heel
aparte
soort uit de familie van de varen; de adelaarsvarens. In het
zuidoostelijk deel
van de Amsterdamse Waterleidingduinen nabij De Zilk is een zeer grote
groeiplaats in en rond de eikenhakhoutbossen te vinden. Ze vormen door
hun aaneengesloten
groeiwijze hun eigen ondoordringbare ‘oerwoud’ en onneembare vesting
voor
andere planten. Alles wordt werkelijk uit de kast gehaald om hun
vesting te
verdedigen.
Met hun lengte tot soms menshoogte zijn het
imposante
planten. Ieder jaar ‘perst’ de adelaarsvaren deze enorme biomassa uit
een
netwerk van stevige diepwortelende wortelstokken. In het voorjaar
groeit uit de
wortelstok op korte afstand van elkaar telkens één enkele
steel. Overal op de
bosbodem priemen na verloop van tijd steeltjes met een vuistje van
opgerolde
bladeren omhoog. Met de gebalde vuist waarschuwt de plant alvast z’n
omgeving
voor de dingen die komen gaan. Nog een maand later heeft de dreigende
gebalde
vuist zich ontrold en uitgevouwen tot een groot fijn geveerd blad dat
een alles
vernietigende schaduw op de bosbodem werpt. De breed uitwaaierende
bladeren
vangen als fijne vitrage al het zonlicht weg en sluiten alle andere
plantengroei uit. Voor de lagere planten op de bosbodem zijn de
leefomstandigheden bij het verschijnen van deze varen wel zo’n beetje
bekeken. Ze
dulden schijnbaar geen ‘benedenburen’. Tijd om te vertrekken nu hen het
licht
in de ogen niet wordt gegund. Uitsluiting is dus niet van ‘gisteren’,
het
gebeurt al eeuwen lang in het plantenrijk en heeft alles te maken met
concurrentie.
Adelaarsvaren heerst zo de gehele zomer in het
bos. In de
herfst kleurt het blad mooi en sfeervol naar geel en lichtbruin. Daarna
is de
heerschappij over en stort het rijk van de adelaarsvaren in
één tot een
kriskras door elkaar heen liggende plantenmassa. Lange tijd biedt het
nog
beschutting aan het ree, de vos en het haas, uiteindelijk blijft er na
een
vorstperiode slechts bladstrooisel over op een kale bosbodem. En zelfs
dan nog
laat de adelaarsvaren z’n dominantie gelden. Z’n bladstrooisel is heel
voedselarm, bevat giftige delen en zal door z’n samenstelling
verhinderen dat
andere planten (de beneden buren) opnieuw een poging zullen ondernemen
om zich
te vestigen. Ondergronds wacht de plant nu op het voorjaar, het sein
voor een
nieuwe bezetting van het bos.
Vriendelijke groet

| Van: | Joost Bouwmeester |
| Verzonden: | woensdag 6 oktober 2010 10:17:33 |
Treinsurfer,verstekeling
en voorbeeldig EU bewoner
Voortijlend langs Neerlands wegen moet je zonder enige twijfel iets opgevallen zijn; onze autosnelwegen zijn geel. Niks nieuws voor de in het verkeer meest gehate notoire bumperklevers die uitsluitend gefocust zijn op het geel van jouw kentekenplaat. Zij laten door hun gebrekkige omgangsvormen de facelift van de autosnelwegberm volledig aan zich voorbij gaan. Even ter geruststelling; de facelift is niet gefinancierd uit één of ander staatspotje. Nee, een eenvoudige ‘lifter’- het bezemkruiskruid- verzorgt deze bloemencorso en geheel kosteloos en belangeloos.
Het bezemkruiskruid is gemakkelijk herkenbaar vanuit de auto. De plant groeit tot ongeveer 50cm hoog, is half struikvormig met een bezemvormige vertakking en bloeit vanaf het eind van de zomer tot in de winter met honderden kleine gele margrietachtige bloemetjes.
Op weg langs de Duitse ‘autobahn’ verandert het bezemkruiskruid echter dramatisch van vorm en uiterlijk. Waren het in Nederland nog duidelijk afzonderlijke planten, daar werd het één lange ononderbroken gele streep. Wel lekker maar je gaat véél te hard, Runter vom Gas!
Tot aan de Alpen of de Franse Rivièra is de plant je zeer ervaren reisgenoot op weg naar het zuiden. Al in 1900 vertrok deze plant uit Zuid Afrika en heeft in Europa de wereld van het asfalt verkozen omdat het een warmte minnaar is. Ondanks dat, bloeit de plant ook in de wintermaanden. Dat komt omdat ie sneller gereisd heeft dan z’n biologische klok kon bijhouden. Het is immers een plant van het zuidelijk halfrond en daar wordt het nu zomer.Verstekeling
Het bezemkruiskruid begon als zaadje z’n reis vanuit z’n land van herkomst Namibië,Transvaal en Natal meeliftend in de wol van een schaap. Overleefde alle bewerkingen die de wol ondergaat alvorens export klaar te zijn en ging vervolgens als verstekeling aan boord naar de overzeese klant. In Zuid Europa kreeg de plant voor het eerst voet aan de grond rond de wolwasserijen. Botanisten keken de nieuweling onderzoekend aan en herkende hem niet. Geen paspoort, geen naamkaart ,nee niks wat z’n naam of herkomst verraadde. Een echte bootvluchteling.
Pas vanaf de zeventiger jaren verspreidde de plant zich met een sneltreinvaart. Was het al een lifter en verstekeling nu bleek het ook een volleerd treinsurfer. Een in Zuid Frankrijk gestarte trein krijgt een fikse bui om even verderop drijfnat weer door een droog gebied stof en zaden uit de brem te doen opwaaien. Het bezemkruiskruid houdt van die zonbeschenen stenige spoortrajecten en het pluizige zaad blijft aan de natte trein kleven. Al ‘surfend’ bereikt het onze streek waar het altijd wel regent en zo spoelt het zaadje van de trein in de spoorberm.
SleurhutMaar sinds het autoverkeer explosief is toegenomen, gebeurt hetzelfde langs de verkeersaders van Zuid naar Noord Europa. Dit keer ben jij het die een verstekeling klevend aan je auto of sleurhut over de Franse ‘route du soleil’ naar de Hollandse ‘route du file’ transporteert. Bij nadering van de grens tussen België en Nederland doe je al demonstratief de ruitenwissers aan. Het gaat immers net over die stippellijn standaard direct plenzen, niet dan? En zo spoelt de verstekeling van de carrosserie af de Nederlandse berm in. En nu, na vele jaren, begeleidt als dank voor de lift toentertijd, het bezemkruiskruid je bij je rit in zowat elke rijrichting en inmiddels ook bij je wandeling in de duinen. Daar kun je hem bewonderen zonder van je sokken gereden te worden. Deze globetrotter en immigrant heeft zich prima ingeburgerd en is daardoor een voorbeeldig EU-bewoner. Hij is hier om te blijven, want zelfs de meest gewiekste politicus veegt het bezemkruiskruid niet zomaar weer even het land uit.

| Van: | Joost Bouwmeester |
| Verzonden: | maandag 27 september 2010 8:39:48 |
Een
schrale troost
Gelukkig zijn er altijd diehards die tot het bittere eind volhouden. Ook al is het ‘zomerfeest’ allang voorbij, er zijn altijd bloemen die van geen wijken weten. Natuurlijk vallen grote planten met een nazomerse bloei het meest op, maar er zijn ook hele kleine plantjes met priegelbloemetjes die nog lekker doorfeesten op de inmiddels zwakkere zonnestralen. Stijve ogentroost is zo’n miniatuur bosje bloemen. Onopvallend stond de stijve ogentroost tussen de zee van bloemen in het zeedorpenlandschap ten noorden en zuiden van Katwijk en Noordwijk. Nu de zomerbloeiers uitgebloeid zijn, valt deze eenjarige plant eindelijk op.
De familie ogentroost heeft een heel aparte lifestyle, ze parasiteren op andere planten zonder hun gastheer ‘uit te buiten’ of ten gronde te richten. We noemen ze dan halfparasieten. Ze hebben net als elke andere plant bladeren om te assimileren en een wortelstelsel voor houvast en om vocht op te nemen. Maar toch gaat er nog een worteltje naar een naburige plant- meestal een grassoort- en hecht zich vast in zijn wortelgestel. Via dat worteltje tapt ogentroost het vocht en de voedingszouten van z’n gastheer af. Z’n bloemetje mag dan klein zijn maar z’n reputatie is het aanzien waard. Stijve ogentroost heeft z’n sporen in het verleden al verdiend. Toen de gezondheid van de mens nog geheel afhankelijk was van wat het kruidenrijk te bieden had en de geneesheren nog aan de rand van het ziekbed verschenen met pinguïnmaskers op en met een gereedschapskist een bouwvakker waardig, bood de stijve ogentroost al troost aan de zieken. Had de patiënt last van z’n ogen en oogleden dan werden kompressen met een aftreksel van de plant op de ogen gelegd en… violà .
Je vraagt je dan wel af, hoe komen ze op het idee om juist deze plant daarvoor te gebruiken. In het beginstadium zullen bepaalde kruiden experimenteel hun heilzaamheid bewezen hebben. Baadt het niet dan schaadt het niet, en door schade en schande met een enkel sterfgevalletje wordt men wijs. De Fransen waren, behalve heilig overtuigd van eigen kunnen, ook nog eens heel overtuigd van de heilzame werking van ogentroost. Ze noemden de plant met veel bravoure ; casse lunette oftewel ‘breek je bril stuk’. In de 14e eeuw had de medische wetenschap ontdekt dat sommige determinatie kenmerken van een plant wel heel erg leken op sommige kenmerken van het menselijk lichaam. Ze trokken vervolgens de conclusie dat de plant dan ook wel heilzaam zou moeten zijn voor dat gelijkende lichaamsdeel (signatuurleer). Zo zagen de geneesheren in de fijne nerfjes in de bloemkroon van stijve ogentroost de bloeddoorlopen aderen in ogen. Te veel fantasie of lag de Franse bril al in stukken?
Lang heeft ogentroost z’n reputatie hooggehouden en was de plant vooral heilzaam voor de geldbuidel. De kruidenhandel rond Noordwijk tierde welig en de planten werden alles behalve tegen een troostprijsje verhandeld. Helaas zag de toekomst er voor de stijve ogentroost troosteloos uit. Z’n biotoop,de schrale grasvegetaties in de duinen, werd ernstig bedreigd door ontginning en bebouwing en bovendien vervuilde de uitstoot van de industrie zijn groeiplaats. De kansen voor de handel en voor de plant keerden definitief toen de farmaceutische industrie de kop op stak. Maar niet getreurd want die kansen zijn zomaar weer ten goede gekeerd. Prinsjesdag en de ontwikkelingen rond het nieuwe kabinet voorspellen een tranendal. De burger is ontroostbaar. Ogentroost biedt echter troost, zei het een schrale troost.
Vriendelijke groet

| Van: | Joost Bouwmeester (joostbouwmeester.fotografie@gmail.com) |
| Verzonden: | maandag 20 september 2010 16:41:56 |
Zeldzame sterren in Hollands Duin
Als kind krijg je al met de paplepel ingegoten dat een paddenstoel een steel met een hoed is. Anders zou die immers onbewoonbaar zijn voor kabouters. Logisch. ‘Voortgezet onderwijs’ zet helaas de kennis over paddenstoelen niet voort. Op die leeftijd is inmiddels wel al duidelijk dat je in de maling ben genomen voor wat betreft de kabouters, maar je had het toch niet willen missen. De kennis over de verschijningsvormen van paddenstoelen blijft echter steken bij het verhaal ‘steel met hoed’. Dat is jammer want de ongeveer 4000 Nederlandse paddenstoelen (de vruchtlichamen van schimmels) openbaren zich in de meest uiteenlopende vormen en namen.
De kalkrijke duinen herbergen een even zo vreemde als zeldzame groep paddenstoelen; de aardsterren. Nauwelijks herkenbaar als paddenstoelen’, want hoed en steel ontbreken bij dit geslacht. Ze zijn allen herkenbaar aan een stervormige krans met slippen met middenin een bolvormig, perkamentachtig vruchtlichaam met een gaatje, een dikke volle buik waar je in kan knijpen. In de buik bevinden zich de sporen. Door in het bolletje te knijpen of er tegen te tikken verstuiven ze als een blaasbalg hun sporen. Treft een dikke regendruppel het bolletje dan resulteert dat ook in een wolkje sporen. Het wachten is op een dier of mens die boven op z’n buik gaat staan. De sporen worden dan in een klein wolkje de lucht in geblazen of blijven onder de voetzool plakken en worden vervolgens over de duinbodem uitgesmeerd.
De Peperbus is zo’n aardster en komt in Nederland vrijwel alleen in de duinen tussen Wassenaar en het Noordzee kanaal voor en zelfs nog in behoorlijke aantallen.. Het Hollands Duin in Noordwijk is bijvoorbeeld zeer rijk aan peperbussen. Het kan toeval zijn maar vooral in het gebied waar buiten het broedseizoen héél veel gewandeld wordt met honden, staan er veel. De trouwe viervoeter struint aan weerszijde van het pad op zoek naar konijnen, hangt wat in de kuiten van de passerende jogger en stapt tussen de bedrijven door ongetwijfeld op een peperbus. Daar komt nog bij dat het schelpenpad het voor de peperbus onontbeerlijke kalk en kalkgruis levert wat weer via wegspoelend regenwater en hondenpoten naast het wandelpad en in de biotoop van de peperbus terecht komt.
De determinatie van paddenstoelen vereist een behoorlijke studie. Veel soorten zijn uitsluitend met de microscoop te determineren. De peperbus daarentegen is een makkie, want deze soort heeft meerdere gaatjes in de ‘buik’, terwijl alle andere aardsterren slechts één gaatje hebben. Maar de keuze van z’n naam is onbegrijpelijk. Juist het grote aantal gaatjes in de peperbus gooit roet in het eten. Na een grondige inventarisatie van vele peper en zoutstelletjes blijkt namelijk dat juist vaatjes met zout ontworpen zijn met meerdere gaatjes en vaatjes met peper één tot hooguit twee gaatjes hebben. Had ie dus eigenlijk zoutvaatje moeten heten…
Vriendelijke groet

| Van: | Joost Bouwmeester |
| Verzonden: | donderdag 16 september 2010 10:28:18 |
Geen
code voor slotes kantia
Toch even aanmeren om te kijken wat daar langs de waterkant naar je staat te zwaaien. Het is het harig wilgenroosje, z’n roze bloemen staan wijd open en lijken onbeschadigd ondanks de harde wind. Het blad voelt viltig aan en is bezet met fijne haartjes. Dit onderscheidt het harig wilgenroosje van z’n familielid wilgenroosje, die juist weer in het bos te vinden is. Beide dragen in de zomer grote roze bloemen en langwerpige dunne zaaddozen die in rijpstadium overlangs opensplijten waarna pluizige zaden de bloemtros een wollig uiterlijk geven.
Sierwaarde
Aandachtig kijk je of deze mooie plant niet in
je tuin aan te poten is, bij je vijvertje bijvoorbeeld. Mooi bij het
lila
watermunt en de rietsigaren. Niet doen! Binnen twee jaar zie je de
paars
aangelopen gezichten van de buren boven de schutting uitkomen; ‘Komt
dit onkruid
bij u vandaan?’ Nog voor je kan antwoorden,
wordt een emmer wortelstokken over de schutting gekieperd. Harig
wilgenroosje geeft in je tuin veel bloemen, heel veel bijen en hommels
maar nog
véél meer werk. De sierwaarde van harig wilgenroosje
staat echter buiten kijf
en daarom heeft zelfs de bloemenhandel zich in het verleden aan haar
‘vergrepen’ en zijn mesje in de ietwat houtige steel gezet. Eén
tak is al zo
ongeveer een hele bosbloemen en ‘drie aan een touw’ is al een mooi
bosje voor
de vrouw. Geld ligt op straat en groeit in de slootkant!
Hmmm, veel te bewerkelijk dus en niks aan te verdienen… Dan maar weer snel van wal en op een strak windje naar de overkant waar zowaar een andere Pink Parade wuivend op je weergaloze stuurmanskunst wacht.
Vriendelijke groet

| Van: | Joost Bouwmeester |
| Verzonden: | donderdag 16 september 2010 10:27:17 |
Porselein
in de duinpan
Parnassia houdt van nat, en dat komt goed van pas want het komt zo nu en dan met bakken uit de hemel. De timing is goed. De overjarige plant ontwikkelt vanaf eind juli z’n bloeistelen om in half augustus tot september volop te bloeien met helderwitte bloemen. Iedereen is verliefd op parnassia. De botanist valt op z’n knieën voor haar en betast haar porseleinen bloemetjes, de argeloze duinwandelaar verbaast zich over zoveel moois in dat droge duin en neemt een bosje mee naar huis. Niet wetend dat deze plant zeldzaam is en beschermd.
Zeldzaam is natuurlijk heel relatief als je voor een duinpan staat met duizenden parnassia’s.
Op sommige plekken is op het ogenblik zelfs sprake van een wit dekentje van haar bloemen. Wanneer de omstandigheden goed zijn, treedt de plant massaal op. Andere jaren, met minder neerslag , staat er slechts hier en daar een plantje.
Parnassia groeit in een mooi rond polletje. De ronde vorm herhaalt zich in het blad, de bloem en de zaaddoos. Juist dat geeft de parnassia haar aantrekkingskracht, de streling voor het oog zit ‘m in de radiaal symmetrie van de bouw van de bloem. De groene, doorschijnende lijntjes in de witte kroonblaadjes, het stengelblad zittend, stengelomvattend als de hoes rond een boeket en de kaarsrechte bloemstelen geven de plant een trendy , strak design. Het porseleinwitte bloemetje heeft zoiets kwetsbaars in zich dat veel gezondheidinstellingen hun naam aan de plant ontleenden. Kortom,een uitstekend ontwerp van moeder natuur. Mooi en zeldzaam gaan hier weer hand in hand.
De verspreidingskaart van de parnassia laat een mooie stippellijn van groeiplaatsen langs de Nederlandse kust zien met slechts hier en daar een plekje in het midden en oosten van het land. We zijn alweer bevoorrecht in de Duinstreek maar het had weinig gescheeld of ook wij hadden zonder parnassia’s moeten leven. Bemesting vanuit de lucht en het verdwijnen van de dynamiek in duinen veroorzaakten een dramatische teruggang van het areaal. Alleen de ongetemde duinen van de Waddeneilanden hadden nog volop parnassia’s. Het besef dat duinen mogen stuiven is teruggekeerd en de bemesting vanuit de lucht is op z’n retour. De zeldzaamheid van parnassia vond in eerste instantie z’n grondslag in de zeldzaamheid van z’n biotoop. De vochtige duinvalleien waren door wateronttrekking uit de duinen verdwenen en vaak volledig verruigd met hoog opschietende gewassen. Parnassia’s verschijnen slechts in een eerste overgangsfase in de ontwikkeling van een pas ontstane kale duinvallei naar een met riet en struiken begroeide duinpan. Omdat de dynamiek langs onze kust grotendeels ‘in de boeien’ geslagen is, hebben natuurbeheerders met zware machines de duinvalleien weer tot op het grondwater uitgegraven. Vrij snel daarna verschijnen reeds de eerste parnassia’s omdat hun fijne zaad zich makkelijk met de wind laat verspreiden. Een maaibeleid met grote grazers zoals Schotse Hooglanders stopt de verstruiking zodat de successie niet verder gaat en de biotoop voor de parnassia in tact blijft..
“En krijg ik zo’n zeldzaam ding ooit te zien”, vraag je je wellicht af. Jawel, en nog wel vanaf je fiets. Volg het fietspad onder de zeereep vanuit Katwijk naar de Wassenaarse slag. Vlak voor het bereiken van het koffiehuisje zijn aan je linkerhand de duinvalleien te zien met duizenden parnassia’s. Let wel, de smetteloos witte parnassia verlangt ook een smetteloos gedrag van je. Niet plukken dus.Vriendelijke groet

| Van: | Joost Bouwmeester |
| Verzonden: | zaterdag 14 augustus 2010 13:29:34 |
Speeltje
wordt blijvertje
Zelfs al kijk je maar heel oppervlakkig naar de natuur. Is alles in jouw ogen één grote groene, deinende massa en zijn alle vogels verdeeld in slechts twee soorten, sijsies en drijfsijsies; dan nog zal het je niet ontgaan zijn dat er zo nu en dan een grote groep ganzen – dus drijfsijsies – luidruchtig in V-formatie over de polders en het dorp vliegt. ” Verhip zijn ze er nu al, ’t is nog volop zomer”. Je referentie met een naderende winter gaat volledig mank. Het zijn Grote Canadese ganzen en ze zijn hier om te blijven. Begin er alvast maar aan te wennen, alles verandert en de natuur verandert mee.
De Grote Canadese gans heeft dankbaar gebruikt gemaakt van onze wettelijk afgedwongen tolerantie tegenover ganzen. De oorspronkelijk uit Noord-Amerika afkomstige vogel was in Europa slechts altijd voor een kortstondig verblijf om uitsluitend naar omlaag geschoten te worden. In 1650 werden de eerste vogels naar Engeland gehaald als ‘game’; hun ‘speeltje’ in het jachtspel. De vogeltrek van miljoenen Canadese ganzen in Canada had diepe indruk gemaakt op de toenmalige Engelse heersers en dus moest dat vliegen van noord naar zuid ‘at home’ ook maar gebeuren. Helaas kwam er van spectaculaire trektochten niks terecht, want de geïmporteerde vogels hadden heel andere coördinaten in de genen. Ze wisten niet waar ze waren en ook niet waar ze naar toe moesten trekken. ‘Game over’.
Ontsnapt
De handel in kooi- en watervogels heeft ze uiteindelijk over Europa verspreid en vooral naar de Scandinavische landen. Uit de watervogelcollecties ontsnapten regelmatig vogels en zo is Europa een exoot ‘rijker’ geworden. De ontsnapte Canadese ganzen trokken mee met de wilde ganzen naar het zuiden. In de winter van 1979 bereikten 4 exemplaren voor het eerst de Duin- en Bollenstreek. De nieuwe coördinaten waren direct opgeslagen in hun hersentjes en worden doorgegeven aan de nakomelingen
Daarna ging het snel en misschien wel vanwege een gedrag die je prettig in de oren zal klinken. Canadese ganzen vertonen een vergelijkbaar gedrag met de Knobbelzwanen. Man en vrouw zweren elkaar eeuwige trouw en de machoman verdedigt z’n vrouw en nakomelingen heftig tegen predatoren. Die toewijding werpt z’n vruchten af want 30 jaar na de eerste bezoekers zijn er nu het gehele jaar zo’n 100 tot 200 grote Canadese ganzen in onze regio te zien. Polder Hoogeweg, de Elsgeesterpolder, Oud-Leeuwenhorst en rond het Oosterduinse Meer zijn hun favoriete foerageergebieden. De Kagerplassen heeft inmiddels een flink aantal broedparen. De landelijke groei ligt op het ogenblik tussen de 10 en 17% en dat komt vooral omdat een gans van dit formaat in ons land nauwelijks vijanden heeft. De vos en kiekendief prederen slechts alleen op hun eieren en kuikens, maar met zo’n agressieve gent is dat ook al geen makkie. Eenmaal volwassen is hoofdzakelijk een voedselgebrek hun vijand. Aangezien het een ecosysteem vreemd organisme is- een echte vreemde eend in de bijt- wordt nauwlettend onderzoek verricht naar het effect op hun biotoop. Natuurbeheerders en autoriteiten grijpen waarnodig in om schade door overpopulatie te voorkomen. En dan wordt het pas echt zorgelijk. Democratie eist zijn inspraak en emotie, regelgeving, wetenschap en trigger happy gaan rond de tafel zitten en maken hoofdzakelijk ruzie. Moeilijk, moeilijk,moeilijk! Laten we de gans de biotoop beïnvloeden of grijpen we in en krijgt de jacht z’n speeltje terug?
Vriendelijke groet
FOTO: Jan Hendriks.

| Van: | Joost Bouwmeester |
| Verzonden: | zondag 8 augustus 2010 16:01:05 |
Gegeten en vergeten.
Al zwervend door onze duinen, stuit je zo nu en
dan op
duinpannen, die door zware machines ontdaan zijn van de begroeiing en
nu geheel
bestaan uit een lege zandvlakte. In eerste instantie levert het een
afkeurende
blik op en zelfs een protest tegen zoveel vernieling van de prachtige,
groene
duinen. Begrijpelijk, want je kan als argeloze duinbezoeker niet direct
ontdekken wat de noodzaak van zo’n ‘vernieling’ is, tenzij de
terreinbeheerder
zo attent is om een paneel met de nodige uitleg te plaatsen. Door het
verwijderen van de begroeiing inclusief de humus, hoopt de beheerder
‘nieuwe
natuur’ te ontwikkelen met meer dynamiek en ‘nieuwe bewoners’.
De aller eerste ‘nieuwe bewoners’ voor wat betreft
de
planten, zijn soorten die reageren op beroering of bewerking van de
bodem zoals
slangenkruid, grote teunisbloem en koningskaars. Soms verschijnt ineens
een
zeldzaamheid zoals de rode aardbeispinazie, een familielid van de
spinazie uit
de schappen. Even een moment om in het losse zand door de knieën
te gaan om de
plant te betasten, want hij ziet er wel heel afwijkend uit met z’n
smakelijk
ogende rode vruchten. “Rode aardbeispinazie?”, mompel je, een hele
mondvol maar
smaakt het ook ergens naar of moet de pot met sambal de kok weer
redden.
Nu is de combinatie van aardbeien en spinazie
sowieso een
culinaire verrassing waar je het resultaat eigenlijk al van weet; de
vuilnisbak.
Toch -en nog niet eens zo heel lang geleden - lagen de blaadjes van
deze plant
bij je ouders of grootouders op het bord, gemengd in een salade of
naast de
dampende aardappels. Zonder de rode aardbeien wel te verstaan, die
kunnen als dessert.
De gelijkenis met aardbeien stopt niet bij alleen de kleur. Evenals de
aardbei
is de vrucht van deze plant een zogenoemde schijnvrucht. Schijnvruchten
zijn zwellingen van de bloembekleedsels
rondom de stamper en
meeldraden en ontstaan niet uit een vruchtbeginsel. Derhalve zijn het
dus
plantkundig gesproken geen vruchten.
Mooi zo, als ze maar wel smaken.
Het blad van de rode aardbeispinazie heeft een
lichte
notensmaak en wordt op de zelfde wijze bereid als bladspinazie. Vandaar
de naam
en om die reden ook werd de rode aardbeispinazie lange tijd als
bladgroente
gekweekt op kwekerijen en in groentetuinen. Waarschijnlijk ook op de
duinakkertjes
rond de zeedorpen, want alleen in de zeedorpenlandschappen tussen
Heemskerk en
Noordwijk is deze zeldzame plant nog regelmatig te vinden.
Vriendelijke groet Joost Bouwmeester

| Van: | Joost Bouwmeester |
| Verzonden: | maandag 2 augustus 2010 14:49:19 |
Medicijn of gifbeker?
Familieleden van het slangenkruid die je ongetwijfeld kent, zijn bijvoorbeeld het komkommerkruid (bernagie) uit je moestuin, de smeerwortel langs de slootkant, vergeet-mij-nietjes en longenkruid uit je siertuin en de veldhondstong die zoveel ergernis oplevert wanneer z’n zaden je veters aaneenklitten tot een lastige klont. Het slangenkruid heeft al eeuwen lang een relatie met de mens. Bij z’n verspreiding is vaak die mens zeer behulpzaam geweest. De plant groeit uitbundig op omgewerkte (ruderale) kalkhoudende zandgrond, daarbuiten zijn ze zeldzaam. Zodra in onze kalkrijke duinstreek aan wegen en paden wordt gewerkt, slaat de tweejarige plant als uit een hoge hoed getoverd massaal langs de bermen op. Het eerste jaar in een groot rond rozet, dat plat op het gort droge zand ligt. Het tweede jaar groeit uit het rozet een aantal bloemstelen die in de zomer de bermen volledig blauw kunnen kleuren. Je wandelt door een ere haag van blauwe bloemen, die vooral bij tegenlicht een betoverend licht uitstralen. Tenslotte zaait de plant zich na de bloei uit en sterft. De oliehoudende zaden vormen een zaadbank die nog vele jaren in de bodem wacht op weer een bewerking van de grond.
Geneeskrachtig
De familie van de ruwbladige telt veel geneeskrachtige kruiden, veelal in hun Latijnse naam aangeduid met ‘officinalis’. Wat vrij vertaald zoiets als ‘bij de apotheek in gebruik’ betekent. Het slangenkruid (Echium vulgare) is ook als geneesmiddel in gebruik geweest, ook al verraadt z’n Latijnse naam dat niet. Misschien omdat je je leven niet helemaal zeker ben als deze plant redding moet gaan bieden bij een slangenbeet? De lijfarts van de Romeinse keizer Nero geloofde echter heilig in de plant en heeft het aanbevolen tegen slangenbeten. Romeinse soldaten trokken overal op sandaalachtig schoeisel Europa en Klein Azië in en op zoek naar de ‘Holly Grale’ was op een slang zomaar getrapt. Het alkaloïde bevattende slangenkruid zou redding brengen maar moest wel met wijn ingenomen worden volgens de lijfarts. En ja…wie trapt daar nu niet in. De relatie met de bestrijding van slangenbeten kwam voort uit de bouw van de bloem. Je vindt dat terug in de Latijnse naam Echium wat is afgeleid van het Griekse woord echis , dat adder of gifslang betekent. Even je ‘lakense bril’ opgezet en je ziet dat de stamper aan de top gevorkt is als de tong van een slang en figuurlijk uit de geopende ‘bek’ steekt van de blauwe wijd geopende bloemkroon. De bloemen zitten in een trosje ,een zgn schicht. In jong stadium is de schicht opgerold als een slangenlijf. Genoeg indicaties om toch ook maar eens uit te proberen of de plant helpt na een fikse slangenbeet ? Doe mij toch alleen het wijntje maar.
Vriendelijke groet

| Van: | Joost Bouwmeester |
| Verzonden: | maandag 2 augustus 2010 14:50:04 |
Tijd voor weer een succes story. Dit keer van een ogenschijnlijk kwetsbaar organisme, namelijk een vlinder. Kwetsbaarheid is nogal relatief als je naar de prestaties van vlinders zoals de distelvlinder en de atalanta kijkt. Een verre tocht van of naar het Middellandse Zeegebied wordt door deze trekvlinders jaarlijks volbracht. Weliswaar niet met ‘twee vingers in de neus’, maar toch! Uit dezelfde familie, die van de vossen (Nymphalidae), stamt de gehakkelde aurelia. Eveneens een vrij harde soort met nomadische trekjes.
Bij je allereerste ontmoeting met de gehakkelde aurelia denk je wellicht; zo…die is flink te pakken genomen door de vogels. Er lijken grote happen uit de randen van de vleugels gebeten en het geheel ziet eruit als een jas ontsnapt aan de zak van Max ( even voor de jongere generatie; In de beroemde Aktie “De zak van Max” zamelde in 1967 de cabaretier Max Tailleur gebruikte kleding in voor reumapatiënten). Vogels happen vaker per abuis een stuk uit de vleugels van vlinders. Het schijnt dat het patroon van een ‘oog’ in de vleugels predatoren in verwarring brengt en dat ze juist op de nep-ogen mikken bij een aanval. Vlinders hebben normaliter mooi gestroomlijnde vleugeltjes en sommige zelfs met een zwaluwstaart als een pandjesjas. Gehakkelde Aurelia’s ontpoppen zich al bij aanvang als een zwerver in een gerafelde jas.
Aan de rafelige of gehakkelde vleugelranden ontleent de vlinder z’n Nederlandse naam. Aurelia ,ontleend aan het Latijnse aurum (=goud) ligt minder voor de hand. Op de pop waar uiteindelijk de vlinder uitkruipt zijn kleine goudkleurige vlekjes te zien en dat gaf de Engelsen de aanleiding tot deze mooie naam. Terecht goud, want ondanks dat aurelia er uitziet als een zwerver in lompen, is het met z’n fel oranje kleuren behalve een prachtige verschijning in het voorjaar ook nog eens een succesnummer. Soms zijn al vanaf maart de eerste gehakkelde aurelia’s op de voorjaarsbloemen te zien. Dit zijn de overwinteraars van vorig jaar, opzoek naar een partner. De generatie die nu ‘vlindert’ boven bloemrijke vegetaties langs bosranden, komt voort uit hun eitjes. In één jaar kunnen zo tot twee generaties aurelia’s voortgebracht worden.
In de wereld van Mijnheer Prikkebeen spreekt men van generaties. Een generatie omvat de gehele cyclus van de soort beginnende bij het ei, vervolgens het rupsstadium, dan het popstadium en als laatste het vlinderstadium. De babyboom generatie van de gehakkelde aurelia startte vanaf ongeveer 1990 en de populatie steeg van een zeldzame vlinder ergens uit de Zuid Limburgse heuvels naar een heerlijk algemene fladderaar boven vrijwel al onze bloemrijke graslanden. Alles zat blijkbaar net lekker mee voor deze oranje zwerver. De gemiddeld hogere jaarlijkse temperatuur in combinatie met een natuurlijker bermbeheer met veel meer bloemen, ecozones en natuurontwikkeling wat leidt tot een grotere biodiversiteit, gaf de zwerflustige aurelia kans nieuwe gebieden te ontdekken en de zo begeerde status van algemene vlinder te verwerven. Zo’n prestatie verdient goud. Fijn, toch nog goud voor oranje.
Vriendelijke groet

| Van: | Joost Bouwmeester |
| Verzonden: | maandag 21 juni 2010 10:44:15 |
Struik
met een lichaamsgeur
Als het weer het deze zomer toelaat, worstel je jezelf weer in een martelgang tegen de mulle steile strandopgang omhoog om daarachter lekker in het warme zand op het strand neer te ploffen. Je bent meer dan welkom merk je, want aan weerzijde van het pad bloeien bij wijze van welkomstgeschenk grote witte bloemen van de gewone vlier. Grote roomwitte platte schijven met honderden kleine bloemetjes deinen zachtjes op en neer aan buigzame takken. Als een ober steekt de boom aan lange armen de grote witte pannenkoeken in de lucht. Je staat even bij de bloemen stil om ze te bewonderen maar eigenlijk om uit te blazen.
Zo hé, die struik moet toch eens aan een andere ‘deo’. Een ranzige pislucht dringt je neusgaten binnen , net nu ze door de beklimming snakkend naar lucht wijd open staan. En dat is dan ook gelijk het enige minpuntje van de gewone vlier, verder niets dan lof over deze ‘gebruiksplant’. Sinds ongeveer 3000 v Chr. houdt de gewone vlier ons ondanks zijn ‘lichaamsgeur’ gezelschap. Wanneer een plant ‘meelift’ op onze welvaart noemen we dat een
cultuurbegeleider. Werd de boom in eerste instantie aangepoot bij waterputten om duivels en heksen te weren, de werkelijke gebruikswaarde is te vinden in de culinaire mogelijkheden die de boom de mens biedt. De bloesem kan gepaneerd worden en in het hete vet licht gefrituurd. Verse bloesem kan bv in pannenkoeken verwerkt en van zowel de bessen als de bloesem wordt een medicinale thee gezet. Maar het feest begint pas echt als de bessen verschijnen.
Zwartglanzende steenvruchten boordevol vitamines. De trekvogels eten er gretig van, proppen zich vol en poepen paars.
Wie een zwerm trekvogels te snel af is, kan genieten van een heerlijke vlierbessenjam en na gedane arbeid is het heerlijk nippen van een glaasje eigengemaakte vlierbessenjenever. Een eventuele muffige aroma in de jam of sap is te neutraliseren met citroensap.
Dat alles verklaart waarom elke boerderij een gewone vlier op het erf heeft staan. Ook al omdat ze juist daar erg goed gedijen rond de gierput in de rijkelijk rond gestrooide meststoffen. Deze struik houdt van een stikstof- en voedselrijke bodem. Brandnetel is dat ook en samen met de gewone vlier vormen ze dichte vegetaties in ongebruikte hoeken van het boerenbedrijf. Spotvogel,zwartkop of tuinfluiter maken er dankbaar gebruik van om daarin een nest te verstoppen en achter de insecten te jagen.
In een geheel ander milieu- dat van de zeereep- zie je gewone vlier eveneens floreren. Zand beladen stormen scheren de vers uitgelopen groene loten af en van menig vlierstruik steekt slechts de bovensteVriendelijke groet

| Van: | Joost Bouwmeester |
| Verzonden: | maandag 21 juni 2010 10:45:43 |
Veel
wijverij tussen de rietpluimen.
Dat geldt niet voor de bewoners van de rietkraag. Zij leven hun verborgen leven met altijd minstens één oog omhoog naar het luchtruim en figuurlijk ‘één hand aan de telefoon’. Want zo loom als de vogel zich nu ogenschijnlijk beweegt, zo razendsnel accelereert ie als z’n prooidier in het vizier komt. Zijn jachttactiek is die van de verrassing, de overrompeling. Een foeragerende vogel of knaagdier in de luwte van de rietkraag ziet plots een schaduw, maar dan is het al te laat. De extra lange gele poten met de grijpklauwen leveren veel voordeel op om tussen het dichte riet of vanaf het wateroppervlak met dodelijke precisie toe te slaan. De lange vlerken maken het de vogel mogelijk om razendsnelle wendingen te maken. Zelfs een schuin achterwaartse rol- een soort halve flikflak- ligt in de mogelijkheden bij deze luchtacrobaat. Het grote draagvermogen die de vleugels leveren, stellen de kiekendief in staat om met een zware prooi recht omhoog uit het hoge riet weer op te stijgen. In dat hoge riet heeft de bruine kiekendief ook zijn nest gemaakt, een klein platform van geknakte rietstengels.
Turnkampioen
Zodra de bruine kiekendief uit z’n winterverblijf rond de Middellandse Zee en West Afrika in half maart arriveert, gaan ze al direct met de nestbouw aan de slag. Niet voordat eerst, op een mooie lente dag hij met z’n ‘dame’ om elkaar heen schroevend tot grote hoogte vliegen. Daar zet hij de ‘rollercoaster’ in en duikt met grote snelheid omlaag om daarna weer steil op te trekken. Op het dode punt van de steile curve laat ie zich telkens omlaag storten. Zij is diep onder de indruk van haar turnkampioen en als blijk ‘dat het wel goed zit tussen hun’ slaat ze haar kauwen in de zijne en hangt een kort moment onderste boven onder hem. Als later de jonge kiekendieven gevoerd moeten worden zal ze deze acrobatische oefening nog vele malen uitvoeren. Het mannetje komt namelijk de eerste 1 à 2 weken na het uitkomen van de eieren niet op het nest. Gewoon geen tijd. Hij heeft het simpelweg te druk met jagen. Zodra hij het nest nadert met een prooi in z’n klauwen, roept hij haar met een luide en schelle roep. Zij verlaat het nest en vliegt hem tegemoet. Ze duikt onder hem en ruggelings pakt ze de prooi over van het mannetje die hem op dat moment laat vallen. Snel gaat hij weer opjacht naar een nieuwe prooi want deze grijpvogel doet ook aan ‘grote gezinnen’. Het vrouwtje bruine kiekendief ( herkenbaar aan haar geblondeerde kapsel) op de foto heeft namelijk maar liefst 9 jongen te verzorgen. Vermoedelijk wordt het nest door nog een tweede vrouwtje gebruikt. Mannetjes kiekendieven doen namelijk regelmatig aan ‘veelwijverij’. Slechts een paar honderd meter verderop heeft ie bovendien in het riet nog een ‘lover’ op eieren zitten. Geen echt Zwitserleven gevoel voor hem. Toch maar ff bellen.
FOTO; Jan Hendriks
Vriendelijke groet

| Van: | Joost Bouwmeester |
| Verzonden: | zaterdag 5 juni 2010 17:16:12 |
Imagoschade
Hun vlucht is geluidloos, zeer precies en technisch ongeëvenaard. Onafhankelijk van elkaar bewegende voor- en achtervleugels maken het voor de libellen ondermeer mogelijk om in de lucht ‘te parkeren’. Alerte politici vinden hier een oplossing voor een groeiend probleem en een lekkere binnenkomer in de verkiezingsstrijd. Niet erg, gewoon doen, menig belofte wordt na de verkiezingen in het ‘ronde archief’ opgeborgen. De democratische staatsvorm met daarin de coalitie waar we allen voor kiezen, geeft hen die mogelijkheid. Ondenkbaar dat je in de toekomst je vervoersmiddel in de lucht kan parkeren? Niets is onmogelijk als je kijkt naar de metamorfose die de larve van de libel ondergaat om uiteindelijk in de lucht te kunnen parkeren. Het geinige is dat het hele proces begint met alwéér het wiel. Is dat ding dan toch twee keer uitgevonden? Tijdens de paring vormen libellen een zgn copula of paringswiel. Op weinig charmante wijze grijpt het mannetje met de tangen van z’n achterlijf het vrouwtje in de nek, terwijl het vrouwtje onderlangs haar achterlijf vastzet achter de onderzijde van zijn kop. Zie daar; de natuur in al haar eenvoud. De cirkel is daarmee kompleet. Nou ja ,de circle of life wel te verstaan. Het paringswiel is niet dusdanig rond dat er gerold kan worden in het huwelijksbed, maar is juist hartvormig, dat dan weer wel.
Na dit moeilijke standje voltrekt zich, wat je zou kunnen noemen; een wonder der natuur. Uit het bevruchte ei groeit een zeer vraatzuchtig onderwatermonster met uitklapbare kaken. Onder water is ‘men ‘niet blij. Eén a`twee jaar is de larve de schrik van de onderwaterjungle en groeit uit tot een afschrikwekkend insect die met z’n vangmasker alles opvreet wat binnen z’n bereik komt, een dankbare inspiratie bron voor filmproducers. En dan voltrekt zich het wonder der natuur. De organen van de larve veranderen en volgevreten klimt het in dit jaargetijde in de ochtenduren aan een bies of rietstengel boven water. Even goed zoeken in de rietkraag en je zult ze vinden. Hangend aan de stengel barst het als een soort groene Hulk uit z’n huid. Er kruipt- dat heet officieel; uitsluipen- nu een totaal ander insect uit de huid van de larve, wat je een ‘imago’ noemt. Als een politicus- om maar een voorbeeld te noemen- aan zijn imago werkt, is ie daar dus mee bezig. Eenmaal de verfrommelde vleugels opgepompt, kiest het ‘imago’ het luchtruim en helikoptert voortaan als kleurrijke libel boven het water. De metamorfose is compleet en ze zien er prachtig uit.. Parkeren, waar wij stakkers altijd zo’n moeite mee hebben, is met de genen meegegeven. Werkelijk een wonder der natuur; je rijbewijs in de wieg, parkeren in de lucht en in no time verlost van je slechte imago. Hoewel dat laatste niet helemaal terecht is. De prachtige viervlek op de foto die zojuist uit z’n huid is geslopen, blijft ondanks z’n nieuwe, mooiere uiterlijk nog steeds datzelfde vraatzuchtige monster. De rietkever op de top van de stengel is in levensgevaar en moet al vroeg in z’n leven ‘pieken’, want dit kon nog wel eens z’n laatste zonnige dag zijn. ‘Wat kijk je lief’, is misschien een opmerking om het vege lijf te redden ?
Vriendelijke groet
Foto; viervlek met rietkever

| Van: | Joost Bouwmeester |
| Verzonden: | woensdag 26 mei 2010 19:40:31 |
‘Hazes’ alweer in de goot.
Je was er héél zeker van. Je werd zojuist nagefloten. Je juichte van binnen maar speelde het cool; Niet opkijken. Vast en zeker een steiger vol bouwvakkers met hun opzettelijk obsceen ontblote bovenlijven en brutale ogen die allen op jou gericht zijn. Haast automatisch schakelde je over op je ingestudeerde ‘catwalk’- loopje en beende heupwiegend de straat uit. Je kon echter de verleiding niet weerstaan en op de hoek van de straat wierp je nog arrogant een blik naar je fans. Je weet immers nooit, wie weet zit er een leuke tussen. Maar wie schetst je verbazing, geen bruingebrande kop met glimmend bezweet bovenlijf maar een spreeuw in een zwart glimmend verenpak zwaait vanuit de dakgoot met z’n vleugels naar je en hij fluit…als een bouwvakker.
En spreeuwen kunnen nog veel meer geluiden uit het straat- en plattelandleven imiteren. Kievit, tureluur, wulp, grutto en patrijs worden moeiteloos nageaapt en ze haken ook net zo makkelijk aan bij het riedeltje van de heggemus. Zelfs de ringtone van je mobiel wordt feilloos geïmiteerd.
Oh, maar dan zal zo’n theaterbeest, charmeur en vocaal begaafd dier wel heel populair zijn onder ons mensen. Nou nee, niet bepaald want ze hebben de verkeerde lichaamstaal. Als schooiers storten ze zich op je voedertafel, jagen andere vogels weg en schrokken onverschrokken al het brood op. Waar de merel elegant over het gazon hipt, nemen de spreeuwen stoere stappen. Schichtig en gestrest peuren ze driftig in de grasmat naar de dikke vette emelten van de langpootmuggen. Toch nog een pluspuntje voor ze, want emelten zijn zeer schadelijk voor de landbouwgewassen. Maar dat pluspuntje raken de spreeuwen al snel weer kwijt als ze massaal in de boomgaard duiken en de eigenaar helpen met plukken. En als ze dan in de herfst enorme vogelwolken van honderdduizenden exemplaren vormen, is de maat vol. Ondanks de prachtige vliegshow tegen een oranje zonsondergang worden ze na afloop met knalapparaten ruw uit hun slaapplaats verjaagd.
<>In de lente kun je echter volop van de spreeuwen genieten. Ze zingen van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat. Buitengewoon actief met zingen en baltsen was de spreeuw die op de foto te zien is. Hij gaf een hele voorstelling weg, een echt theaterbeest. Hij had z’n nestje dan wel onder de pannen, maar was dat zelf nog lang niet. Hij was namelijk z’n ‘meissie’ kwijt geraakt. Haar lichaam lag afgekloven in het gazon. Wanhopig opzoek naar een nieuwe ‘lover’, maakte hij uitsloverige fladderende zangvluchten en zat de gehele dag met z’n glimmende pak in de dakgoot te janken; ‘Kom in mijn armen schat, ik zit hier heel alleen’. Hij werd daarom ‘André Hazes’ gedoopt. Trouwens, hij had geen schijn van kans op een nieuw schatje want zoals je ziet ligt ‘Hazes’ alweer in de goot.Vriendelijke groet
| Van: | Joost Bouwmeester |
| Verzonden: | woensdag 26 mei 2010 19:35:25 |
Hotel
California.
Planten lokken insecten en soms vogels of vleermuizen door een meestal heerlijke odeur te verspreiden. Een geweldige truc om de bevruchting te realiseren en ja hoor, zelfs de mens, die zichzelf boven alle organismen verheven voelt, stonk er in. Een ‘ruiker’ weggegeven op een romantische avond is altijd één stap dichterbij het doel niewaar. Het is dan toch op z’n minst opmerkelijk dat één plantenfamilie- die van de aronskelken- het juist op een stinken zet om aantrekkelijk gevonden te worden. Hoe het zo gekomen is dat de aronskelkenfamilie zo ontiegelijk kan meuren, is natuurlijk eenvoudig af te doen met het antwoord; natuurlijke selectie. Het hoe en waarom de aronskelk zich zo afwijkend etaleert roept echter veel meer vragen op. Maar om de wonderlijke bloeiwijze te bekijken moet je eerst opzoek naar deze in onze streek zeldzame plant. De plant is inheems in de bossen van Zuid-Limburg en op de keileemgrond in de omgeving van Nijmegen en Twente. In de Bollenstreek is de plant in de schaduw van hoge bomen te vinden in de binnenduinrandbossen en op landgoederen en is daar als stinzenplant aangepoot en verwilderd. Een gemakkelijk te vinden groeiplaats is het Panbos te Katwijk, Huys Dever te Lisse of de heemtuin in de Don Boscostraat te Lisse.
Een wonderlijke bloeiwijze want wat je ziet is geen bloem en de purperkleurige knots is geen stamper. Het grote lichtgroene rechtopstaande blad is een vergroot schutblad dat aan het bovenste deel geopend is, de zgn bloeischede , waaruit een purperen knots steekt. Deze ietwat erotisch aandoende vormen leverden de bloem een reeks prachtige namen op zoals; Lords and Ladies, Adam and Eve en wat dacht je van Naked Boys.
Maar let op, het geheel is een
valstrik. De
purperen knots verspreidt een geur van rottend vlees en is als drugs
voor
aasetende insecten. De lichtgroene bloeischede is aan de binnenzijde
geolied en
spiegelglad. De insecten die daarop landen glijden omlaag naar de
taille. De
taille wordt afgesloten door stugge omlaag gerichte haren. Alleen hele
kleine
insecten zoals de motmuggen glibberen daar langs omlaag en belanden in
een
afgesloten ruimte; de kelk. In deze buikige kelk onder de taille zitten
de
bloemen met het stuifmeel en de stamper onderaan de purperen knots. De
stugge
krans met haren in de taille werkt nu als een deur met tralies. De
omlaag
gerichte haren laten geen insect meer naar buiten. Ze zitten in de val
en
vonden hier hun ‘Hotel California’. You
can check in any time you like, but you can never leave.
Muziekliefhebbers herkennen hier de titelsong ‘Hotel California”van de Eagels. De song is een waarschuwing voor de wereld van de drugs waar je altijd ieder moment gemakkelijk kan binnengaan, maar nooit meer uit kan vertrekken.
<>De door elkaar heen krioelende motmuggen zoeken allen naar de uitgang en worden besmeurd met een kleverig suikerhoudend vocht uit de vrouwelijke bloemen. De temperatuur in de kelk is zo’n 15 graden hoger. Door de verbranding van zetmeel stijgt de temperatuur van de plant en het begint er ongelofelijk te stinken. Maar daar kwamen de motmuggen nu juist voor. De volgende dag storten de mannelijke bloemen hun stuifmeel over de kleverige muggen uit en het poederfeest is compleet. Nee, geen cocaine en plotseling gaan nu ook de ‘deuren’ open. De bloeiwijze en de haren verwelken, worden slap en de bepoederde motmuggen ontsnappen door een kier naar buiten. Maar insecten zijn net junkies. De gijzeling heeft slechts 24 uur geduurd maar volledig gedrogeerd storten de insecten zich op de bloeischede met stinkende stok die ernaast staat en duiken weer in het poederparadijs. Stom,stom,stom, ze tuinen er weer in. Nou ja, ‘t is geen eenzame opsluiting in Hotel California en er wordt flink gefeest op het stuifmeel.Vriendelijke groet
Bezoek www.noordwijknatuur.nl voor een doorsnede van het ‘poederparadijs’.

| Van: | Joost Bouwmeester |
| Verzonden: | maandag 3 mei 2010 11:53:39 |
Er zit
nog steeds ‘muziek’ in het duinviooltje
Wil je scoren met je kennis? Leer dan deze Latijnse naam uit je hoofd; viola tricolor var.curtisii. Op een verjaardag met vrienden en kennissen laat je quasi nonchalant even tussen neus en lippen deze Latijnse naam in je verhaal over je duinwandeling vallen. Valt er een korte stilte, dan heb je indruk gemaakt en ben jij voortaan de Jac.P. Thijsse van de familie. Hoor je uit een hoek van de kamer echter: O, wat leuk! was het subspecie ‘dunensis’, dan moet je oppassen. Er zit een kenner in de zaal.
Voorheen werd het duinviooltje, want daar gaat het hier over, gezien als een ondersoort(variatie curtisii) van het driekleurigviooltje( viola tricolor) welke uitsluitend in het duindistrict(subsp.dunensis) te vinden was. Het had ook die gele,witte en lila kroonblaadjes maar staat in het duingebied door de weerbarstiger leefomstandigheden in wat kleinere tengere vorm, was de redenatie. Deze verzameling van 4 Latijnse namen geeft al wel aan dat we met een zeer speciale plant te maken hebben. Duinviooltje is een namelijk een specialist en wordt nu als een aparte soort(viola curtisii) gezien.
Pionier
Aaibaarheidsfactor
‘Jolly good maar te klein en bovendien niet mooi genoeg’, bepaalde een zekere Thomson, tuinman van lord Gambier in Buckinhamshire in Engeland. Hij zag wel ‘muziek’ in de violen en was een van de eerste die ging experimenteren met de plant. Na jarenlang onderzoek puilen tegenwoordig in het voorjaar veilinggebouwen en tuincentra’s uit met viooltjes in allerlei kleuren, kleurcombinaties en onderling verschillende bloemgrootte tot aan Zwitserse- en Hollandse Reuzen aan toe. Opbrengst van een plant slechts luttele centen, en vanwege doordraai is de beste ‘klant’ op de veiling de Vlicobak. De ‘muziek’ is er in ieder geval uit. Oorzaak van dit desastreuze zakelijk verloop is de overproductie, wat te wijten is aan het succes van de plant zelf vanwege een hoge aaibaarheidsfactor.
Slechts zelden spreek je bij planten over een aaibaarheidsfactor. Kan ook nauwelijks, ze hebben geen mooie kraaloogjes, geen mimiek, geen kwispelende staart, geen donzige veder- of haardos en - ondanks haar naam- zeker geen geluid. Toch zijn er enkele hartenbrekers onder de planten die kreten ontlokkend als; Oh, wat schattig. Violen gaan hier met de eer ‘strijken’. De consument ziet namelijk een gezichtje in de bloem en al die gezichtjes ‘lachen ‘je toe als je je tuin in stapt. Je ontdekt vast wel de oren van Mickey Mouse, vooral na volledig afgedraaid te zijn door een stressvolle dag met keihard werken. Je mompelt nog; ‘Ik ben niet gek, ik ben een vliegtuig’, maar besluit daarna toch maar op dokters advies een duinwandeling te maken. Het duingebied ‘lacht’ je immers tegemoet, want daar zie je overal Mickey Mouse.
Vriendelijke groet Joost Bouwmeester.

| Van: | Joost Bouwmeester |
| Verzonden: | maandag 3 mei 2010 11:28:12 |
Krakeend
geen saaie ‘piet’
Maatpak
Maar onopvallend wil echter nog niet zeggen dat het niet mooi is. Een nauwkeuriger blik op het verenkleed van het mannetje doet je namelijk wat anders ervaren. Heel fijne grijze en zwarte streepjes en stipjes geven hem een stijlvol maatpak als van een gedistingeerd zakenman. In dat maatpak is deze grondeleend weldegelijk zeer succesvol. Het aantal krakeenden overstijgt hier en daar namelijk al dat van de kleurrijke wilde eend. In 1973 was de krakeend nog een zeldzame waarneming, een zgn dwaalgast in de Bollenstreek. In 1985 werden de eerste 5 broedpaar gevonden en dat aantal steeg in 2005 naar 135 paar. Een steile groeicurve en dat willen we zien.
Krakeenden zijn inmiddels overal in onze poldersloten en grote plassen te bewonderen. Vooral de brede zanderijvaarten tussen onze bollenvelden zijn favoriet. Ze weten zich uitstekend te handhaven in hun kleurrijke omgeving en zijn een aanwinst tussen de overige specifieke bollenvogels. Drijvend op het water kan de beginnende vogelkijker nog wat moeite met de determinatie hebben. Vooral het vrouwtje krakeend lijkt als twee druppels water op het vrouwtje wilde eend. Eenmaal op de wieken vertonen de krakeenden een spierwitte vleugelspiegel en zijn onmiskenbaar.
Balts
De balts en paarbinding van deze eend vindt vroeg in het jaar plaats in de overwinteringgebieden in Zuid-Frankrijk en Spanje. In april en begin mei zijn de bruidsvluchten van de krakeend boven de polder te zien. Man volgt, zoals gewoonlijk vrouw, in een wilde vlucht opzoek naar een geschikte plek in een of andere ruige oever die een vogelminnende bollenkweker of veeboer nooit maait. Ongepaarde mannetjes maken de kersverse bruidegom echter het leven zuur en proberen hem in de bruidsvlucht te verdringen. Het begint met hem de pas af te snijden als hij vlak achter het wijfje vliegt. Vleugels raken elkaar alsof ze proberen met een wing-tip de concurrent uit z’n vliegbaan te wippen. De foto laat zien dat de bruidegom wel eens bruut aan z’n staart van de ‘dansvloer’ wordt gesleurd. Maar de winnaar is meestal al bekend. Hij paart met zijn eendje en zij broedt nog lang en gelukkig op een groot nest met eieren ergens langs de waterkant onder hoog gras of riet stengels, terwijl hij met z’n maatjes lui dobbert ergens op een groot meer. Bij nader inzien absoluut geen saaie piet.
Vriendelijke groet

| Van: | Joost Bouwmeester |
| Verzonden: | maandag 3 mei 2010 10:56:49 |
Guerrilla-gardening
Het is een trend. Guerrilla is niet meer van de buis te bannen. Heb je een conflict, ben je de underdog, geen schone broek meer aan je gat en niks meer te verliezen; dan snoer je een gordel explosieven om en ga je over tot het plegen van een door jouw gerechtvaardige onrechtvaardigheid. Guerrilla-gardening heeft gelukkig niets te maken met Al Qaida activiteiten, maar roept wel op tot burgerlijke ongehoorzaamheid. Een gebrek aan openbaar groen in de woonomgeving is de oorzaak van de onvrede. Tijd voor actie. Geen bomgordel maar de knielappen omgebonden.
Niks ‘streetfightingman’ vanachter een PC maar een heuse strijd op straat. Een stadsguerrilla, en niet kinderachtig ook want de klinkers worden uit de straat gerooid. Eerst heel voorzichtig een klein metertje, kijken hoe de buren reageren. Die antwoorden met een hele meter en al snel vliegen de klinkers over en weer. ..in de kruiwagen om plaats te maken voor een miniatuur tuintje. ‘En als jij nou tomaten plant, jaag ik de klimbonen naar de kruin van de boom. Buurman heeft al sla en radijs gezaaid’. Een mens wil meer voordat ie z’n graf ingaat en dus is dat tuintje van één tegel breed niet bevredigend. Annexatie naar de overzijde van de straat waar de voet van een mooie boom de steen- en asfaltwoestijn onderbreekt, lijkt een logische stap. En zo wordt een grauwe grijze straat een groene oase waar Jantje Beton zich al spoedig niet meer thuis voelt.
Aldus is er een groentetuin in de openbare ruimte ontstaan. Benieuwd wie die ene kropsla met zijn zatte kop s’ nachts vol zeikt of in het gunstigste geval een hond die een bruine beer draait. Radijs merk je niet zo snel, want die smaakt al knap pittig. Waarschijnlijk een moeilijk te verwezenlijk plan want ook Hollandse volkstuintjes zonder een strak regime ontaarden meestal tot een sloppenwijk, van na de aardbeving dan wel te verstaan. Bloemen zijn zoals bekend een reddend alternatief voor zowat alles, dus ook in deze. In een rebelse bui zetten de ‘groene’ guerrillastrijders de aanval in op de kale, onbegroeide plekken in de woonomgeving en de wijk wordt verrast met een explosie van bloemen. Laten we wel proberen het te beperken tot een stadsguerrilla, want het is al zo’n moeizame strijd om biotopen in onze natuurreservaten zo authentiek en ecologisch verantwoord mogelijk te houden. Een haard van guerrilla-gardening is in de binnenstad van Leiden te vinden. Daar wint guerrilla-gardening terrein en gloort reeds de glorie. Misschien wordt het wel een heuse comeback van de Flowerpower beweging; Make love in your garden, not war!

| Van: | Joost Bouwmeester |
| Verzonden: | maandag 3 mei 2010 10:48:22 |
Blauwe
Paasdagen
Een sneeuwdek zoals afgelopen winter is goed voor de wilde flora. Sneeuwklokje, winterakoniet en oosterse sterhyacint maken een vochtige start in hun bloeiperiode. De droge oostelijke wind heeft hun groeiplaats door de laag sneeuw niet uitgedroogd. Inmiddels zijn de sneeuwklokjes en winterakonieten uitgebloeid. De bloei van stinzenplanten in de binnenduinrandbossen en landgoederen komt nu goed opgang met sterhyacint, bosanemoon, voorjaarshelmbloem met z’n familielid holwortel en niet te vergeten de talrijke verwilderde narcissen. De Pan van Persijn- ook wel Panbos genoemd- in Katwijk is zo’n binnenduinrandbos waar veel stinzenflora te vinden is. Oosterse sterhyacint heeft daar een zeer grote groeiplaats rond het theehuis. Hoewel menig kind, losgerukt uit ouderlijke handen en Oost-Indisch doof voor pa en moe, daar met z’n kindervoetjes op de hyacintjes heeft gestaan, groeien ze daar als haar op een hond. En vooral op de borders naast het pad wat aangeeft dat deze mini-hyacint betreding goed verdraagt en tot de tredplanten gerekend zou kunnen worden. Natuurlijk is het niet de bedoeling dat betreding plaats vind tijdens de bloei. Niet alleen om ook andere bezoekers te laten genieten van de hyacintjes, maar op dat moment moeten de bloemen bestoven worden, zodat ze later in het seizoen zich uit kunnen zaaien. En als dan dat kindervoetje onwetend de zaden in de bodem drukt, is het bingo in het voorjaar; weer een paar blauwe bloemen erbij.
Het massaal voorkomen en het feit dat ze wel tegen een stootje kunnen doet niet vermoeden dat deze plant zeldzaam is. Oorspronkelijk is de oosterse sterhyacint(scilla siberica) afkomstig uit Turkije, Noord-Iran en Midden- en Zuid-Rusland. Het Latijnse siberica zet je op het verkeerde been want in Siberië zul je de plant tevergeefs zoeken. Daarom ook veranderde de Nederlandse naam van Siberische sterhyacint naar oosterse sterhyacint.
In 1886 werd de plant voor het eerst in Haarlem aangetroffen en verspreidde zich via tuinen en buitenplaatsen. Daar vond het z’n optimum onder hoge bomen die in het voorjaar de zon door hun bladerloze takken laten schijnen en in de zomer voor veel schaduw tegen uitdroging zorgen. Alleen in het duindistrict tussen Den Haag en Bergen treffen we mooie grote groeiplaatsen aan en dan alleen in de binnenduinrandbossen zoals het Panbos. Wie veel blauw tijdens een gele Pasen niet vindt misstaan, bezoekt dit Paasweekend het Panbos. Veel vogelzang in de ochtenduren, mooie bloemen, de hertjes en de kippen voeren en na afloop met de picknickmand op de beschutte speelweide een paaseitje tikken. Vrolijke Pasen!
Vriendelijke groet Joost Bouwmeester.
www.strandloper.nl

| Van: | Joost Bouwmeester |
| Verzonden: | maandag 29 maart 2010 10:25:3 |
‘De Toppers’ in de tuin
De gehele winter ‘pimpelden’ ze al samen door de tuin. Drukdoenerig week hij nooit van haar zijde. Samen het voederhuisje in, samen de heg in vluchten met een gejatte zonnepit, samen swingen op de vetbol en samen weer hals over kop de pleiterik maken. Soms was er wel eens irritatie en zette één van hen de kopveren van z’n blauwe pet overeind, maar het had ook net zo gemakkelijk extase kunnen zijn. Iedere zonnige winterdag werd begroet met zijn karakteristieke roep. ‘Eeuwige trouw’ zwoer hij haar vanuit de boomtop, althans… voor deze lente. Nu voor één van de laatste keren nog aan weerszijde van het altaar in de vorm van een vetbol want eten en drinken is één van de belangrijke bindende factoren tussen beiden. Maar ook kleur.
Kleur is van essentieel belang tussen man en vrouw. Het is een communicatiemiddel en vergroot de aantrekkingskracht tussen de seksen want het reflecteert de fitheid en gezondheid van de vogel. Maar bij pimpelmezen is nauwelijks te zien wie wie is. Seksen zijn zo te zien identiek voor wat betreft hun verenkleed. Wie zegt jou dat dit niet twee mannen zijn? Of misschien wel twee vrouwen? Beiden hebben onmiskenbaar een babyface en ook hij -de schat- heeft een eyeliner op. Misschien is bij hem het azuurblauwe petje ietsjes feller van kleur en de donkere band in de hals ietsjes breder, maar meer is het niet. Althans voor jouw ogen. Probeer voor de aardigheid eens door ‘andere’ ogen te kijken. Pimpels zien de wereld heel anders; alles is gelijk totdat het onderling verschilt. En dat verschil zien ze met kraaloogjes die UV -licht waar kunnen nemen. Het verschil in verenkleed tussen man en vrouw is dan ineens levensgroot. Bovendien blijken ze nog veel kleurrijker dan een mensenoog kan waarnemen. Door hun speciale UV -oogjes zien ze het geel op de buik veel geler en samen met het blauw spetteren de kleurtjes er vanaf. De dresscode is overdone. Ze swingen en buitelen door de takken in de tuin als de Toppers op de bühne. Veel veren en veel glitter. Maar zoals altijd; wie opvalt is al snel prooi. ‘Haviken in glamourland’ of haviken in het bos, ze verschillen nauwelijks en zijn beide dodelijk. Hier zijn de ‘Pimpels’ echter duidelijk in het voordeel ten opzichte van de Toppers. Roofvogels en kraaiachtigen kunnen, net als de mens het UV -licht niet waarnemen en zien het glitterpak van al die kleurige vogeltjes dus niet overduidelijk afsteken tegen het groen in de natuur. Velen zullen de dodendans daarom ontspringen en elkaar dankzij de UV kleurtjes vinden om dit voorjaar nog in één van je nestkastjes een groot gezin van 8 tot 14 jonkies groot te brengen. De kans is groot dat je ieder jaar kan genieten van hun ‘performance’ in de tuin, want ze zijn uitermate trouw aan dat nestkastje. Hun populariteit als tuinvogel en hun aantallen zijn nog steeds stijgende. Pimpels en Toppers, ze zijn maar klein en onbeduidend in deze wereld vol van schreeuwerigheid, en je zou je kunnen afvragen; ‘Vind jij die nu zo geweldig, ik zie het er niet vanaf’. …Moet je mijn bril lenen?.
Vriendelijke groet

| Van: | Joost Bouwmeester |
| Verzonden: | maandag 22 maart 2010 9:56:44 |
Katjes
in de wind
Zwarte elzen zijn de vroegste bloeiers onder de inheemse houtige gewassen in onze streek. Dankzij een bleek voorjaarszonnetje met iets hogere temperaturen, maar ondanks een nog immer snijdende wind, rekken de katjes zich uit en draperen de boom met een franje van bloemen. Waarom juist nu kun je je afvragen. De els heeft de snijdende wind nodig die vrij door z’n bladerloze takken mag waaien om het stuifmeel uit de mannelijke katjes naar de vrouwelijke katjes te transporteren. En bijvoorkeur naar die van een andere boom, kruisbestuiving dus. Ingewikkeld maar heel effectief want de zwarte els is al vanaf het einde van de laatset ijstijd één van de succesvolste pioniers van ons land.
Hoewel het een inheemse soort betreft, herken je deze boom vooral als de in cultuur gebrachte karakteristieke boom langs de slootjes in ons polderlandschap. Kenmerkend, maar inmiddels schaars geworden zijn de in onze bollenstreek karakteristieke elzenhagen die dienst deden als windbreker rondom de bollenvelden De els is hiervoor uitermate geschikt omdat het geen voedsel rover is maar juist een bodemverbeteraar. Ideaal voor langs de slootkanten waar de wortels diep doordringen in het grondwater zodat ze niet omwaaien. Even tussen door…Ga nooit voor de bliksem schuilen onder een boom en zeker niet onder de els want die staat met z’n wortels in het grondwater. Een snoeibeurt doorstaan ze net als de wilg met glans. De lange rechte staken van de geknotte els werden als geriefhout gebruikt. In jeugdig stadium is de stam nog recht, naarmate de leeftijd vordert krijgt de boom zijn karakteristieke gewelfde kroon, een etagegewijze opbouw van het silhouet en een kronkelig en knoesterig zwart uiterlijk met diepe groeven in de stam.
Voorlichting
Verrassend is dat deze zwarte boom familie is van de spierwitte berk, ook die heeft hangende katjes. Eén zo’n hangend katje bestaat uit veel kleine bloemetjes die éénslachtig zijn en uitsluitend stuifmeel afscheiden. Ze zijn dus mannelijk. De productie van stuifmeel is enorm in deze periode maar heeft natuurlijk geen enkele zin als er op hetzelfde moment geen vrouwelijke bloemen zijn met een stamper. De vrouwelijke katjes zitten aan dezelfde tak maar zijn echter haast onzichtbaar. Op de foto zijn ze rechtboven de donkere elzenprop boven op de tak zichtbaar. Het zijn heel kleine knopjes die in het eindstadium uitgroeien tot de ovaal ronde vrucht, de zgn elzenproppen. Wanneer het blad gevallen is blijven de elzenproppen in verhoutte toestand nog de gehele winter aan de bomen zichtbaar. Verwarrend? Een ezelsbrug dan maar? Eentje die je vast wel zal onthouden;…rondborstig voor de vrouwelijke delen en een slingerend slurfje voor de mannelijke.
Vriendelijke groet

| Van: | Joost Bouwmeester |
| Verzonden: | donderdag 18 maart 2010 10:16:57 |
Onnozele Wammes Waggel verantwoordelijk voor faciliteit
Bij de Oostvaardersplassen begint de victorie. Dat geldt voor heel veel in Nederland broedende moerasvogels zoals aalscholver, grote zilverreiger, baardman, zeearend etc. en in het bijzonder de grauwe gans. Victorie past bij een veldslag, en dat is het ook. Na een explosieve groei van het aantal broedende grauwe ganzen, volgt nu de ontlading; regulering door bejaging. Natuur minnend Nederland moet oogluikend toezien dat het troetelkind van de jaren 70 weer getrakteerd wordt op lood of een ietsjes ‘menselijker’; vergast wordt. Een Bommeliaanse kijk op Wammes Waggel, die alles behalve een domme gans blijkt te zijn.
Een kwart van Nederland bestaat uit wetlands oftewel waterrijke en moerassige gebieden en dat is het biotoop van de grauwe gans. ‘Grootgrutter’ Nederland had onder het slaken van economische leuzen in het verleden kans gezien om met z’n nijvere handjes vrijwel alle moerassen droog te leggen en te ontginnen naar landbouwgrond. ‘Reuze leuk’ voor de economie, maar in dat ‘denkraam’ bar slecht voor de natuur. Daarmee verdween het broedbiotoop van veel moerasvogels en de grauwe gans gaf er door verstoring anderzijds in 1935 zelfs helemaal de brui aan. Door schade en schande wijs geworden beseft de maatschappij nu dat om een gemeenschap te laten floreren biodiversiteit van onschatbare waarde is. En daarom werden ondanks de in het verleden hoog gescoorde economische rendementen grote stukken landbouwgrond stukje bij beetje weer omgevormd tot natuur, zgn Nieuwe Natuur. Dat was koren op de molen van de grauwe gans.
FacilitatieLekker goedkoop onderhoud aan het terrein voor natuurinstanties zoals Natuurmonumenten wanneer jouw personeel zomaar uit de lucht komt vallen, maar de aan het natuurgebied grenzende boer betaalt de prijs. De aantallen grauwe ganzen groeien de pan uit met als gevolg dat de agrarische sector de ‘minkukels’ het liefst weer in de pan ziet belanden. Ganzen zijn namelijk verzot op het eiwitrijke gras, grazen het kort en poepen vervolgens zoveel dat het vee z’n natte neus optrekt voor dat gras. Terecht dat volgens boeren de mooiste ganzen alleen op de menulijst van de regionale restaurants te vinden zijn. Toen bovendien in die weilanden de weidevogels ook onder druk kwamen van de massale toestroom van de ganzen, bleek Natuurmonumenten in eigen voet geschoten te hebben en kwam in actie. ‘Verzin een list’; lood lag volgens marketingstrategieën te gevoelig, dan maar vangen en vergassen. Maar ook dat laatste was nog niet uit het geheugen van velen gewist. Een Natuurmonumenten die ganzen vergast, is rijp voor een ‘zielknijper’. Dat is volgens een natuurliefhebber zoiets als een vroedvrouw die bij de geboorte het kind de nek omdraait. Voor velen is de liefde over en het vertrouwen geschaad. Wat overblijft is een emotioneel wikke en wegen bij natuurliefhebbers enerzijds en oplopende schade bij boeren anderzijds, terwijl grauwe ganzen gewoon doorgaan met het stichten van grote gezinnen.
‘Hallo luitjes’, da’s toch heel slim van een vogel die in de strips van Tom Poes wordt neergezet als een onnozele Wammes Waggel . Striptekenaar Marten Toonder was ongetwijfeld geen vogelkenner want die gans is zo onnozel nog niet. Op zijn bleekgrijze schouders rust een grote verantwoordelijkheid; die van facilitatie en biodiversiteit. ‘Zeg nou zelf’;wel heel erg ‘dure’ woorden voor een ‘malle’ gans, ‘als je begrijpt wat ik bedoel’.
Vriendelijke groet
Foto Jan Hendriks

| Van: | Joost Bouwmeester (joostbouwmeester.fotografie@gmail.com) |
| Verzonden: | donderdag 4 maart 2010 11:34:56 |
Voorjaarsverlangen
Het gekwetter van spreeuwen en het
koeren van
de duiven wekken je ‘s morgens alweer regelmatig uit je slaap. Koolmees
en
zanglijster lokken je met hun voorjaarsgeluid het bos in. Regelmatig
bezoek je
de groeiplaatsen van het sneeuwklokje in het vroege voorjaar om daar
door je
knieën te gaan en met je vingers door het afgevallen blad te
wroeten, je
voortdurend afvragend of dit wel de plek is waar je ze vorig jaar zag
bloeien.
Bloemencorso
Het sneeuwklokje staat symbool
voor het begin
van een nieuw botanisch jaar. Winterakoniet en lenteklokje mogen dan
ieder jaar
het spits afbijten, het massaal optreden van sneeuwklokjes geeft het
startschot
voor dat maandenlange, jaarlijkse, alternatieve bloemencorso van wilde
bloemen.
Het voorjaar is begonnen, voel je dan. Dat had de Middeleeuwse
bevolking ook al
in de gaten. Tot ver in het voorjaar bleven de bossen kaal en bloemen
waren ver
te zoeken. Inderdaad ver, want de bollen van het sneeuwklokje werden
uit
Zuid-Europa en West-Azië gehaald om
hier
het bos op landgoederen en de kloostertuinen al vroeg in het voorjaar
een
kleurtje te geven. Inmiddels is het sneeuwklokje ingeburgerd, opgenomen
in het
ecosysteem en favoriet onder de plantenliefhebbers. Geen sneeuwklokjes
zien in
het voorjaar, is een soort oud en nieuw zonder vuurpijlen. ‘Just
another day’ en
geen duidelijke markering van een nieuw begin. De groeiplaats van vorig
jaar
heb je inmiddels gevonden. De planten zijn voor een groot deel nog
onder de
humus verborgen. Je vingers zijn zwart van de aarde en koud tot op het
bot.
Ondertussen loop je diep weggedoken in de kraag van je jas te mopperen
op al
die koude en op het voorjaar dat maar niet wil komen. Pas
vanaf dit weekend zullen op enkele beschutte
groeiplaatsen de eerste exemplaren bloeien, want de koude gaat uit de
grond nu er
veel regen met oplopende temperaturen wordt voorspeld. Mooi zo, nu Sven
toch
ook ‘in een wak is gereden’ mag het warm water gaan regenen.
Vriendelijke groet

| Van: | Joost Bouwmeester |
| Verzonden: | dinsdag 23 februari 2010 10:09:54 |
Geld
voor het oprapen.
Tot nu toe maakte alleen de Amerikaanse Federal Reserve, de Centrale Bank van de Verenigde Staten, op grote schaal ‘gratis geld’. Om een imploderende huizenmarkt en een explosief toenemend aantal faillissementen in de bankwereld het hoofd te bieden, heeft de Fed. nog maar weer eens de pc aangezet en vervolgens een paar miljard meer op de begroting getikt. Gratis geld- fictief geld- zolang er inkt en pixels zijn. In een Hollandse weide stond een oud en wijs mens in een blauwe overall op z’n klompen in de stront, leunend op een mestvork tussen de blaarkoppen en de laatste grutto’s en die zei de historische woorden; hi,hi hi..da kannie.
En toch deed onze minister Wouter Bos het zelfde om falende bankiers te redden. Geld,geld en nog eens geld. De mond is er van vol maar de knip is leeg. Niet te geloven, iedereen heeft in deze financiële crisis geld te kort terwijl het geld ‘op straat’ ligt, maar je moet natuurlijk wèl op de juiste plek zoeken.
Gehaaide bankiers hebben Wouter het bos in gestuurd., terwijl die nou juist in het duin had moeten zijn. Want daar ligt het geld voor het oprapen. Volg maar even Wouter en ga mee naar de kaalste duingebieden, de zgn grijze duinen in de Amsterdamse Waterleidingduinen. Betreding buiten de paden is daar namelijk nog mogelijk maar tot welke intensiteit en voor hoelang nog? Grote mosvlakten wisselen af met diepe stuifkuilen. Hier en daar een laatste bastion van duindoorn, liguster of vlierstruik die bedreigd worden door de blonde stuivende duintop aan wiens voet ze stand proberen te houden. Dynamiek kenmerkt dit landschaptype. Op een dergelijke plek vond ‘s lands grootste natuurbeschermer Jac.P.Thijsse zijn inspiratie om te redden wat er nog te redden viel. Dè plek voor jou,Wouter!
In de stuifkuilen,op de overgang van mosvlakte naar kaal zand zijn enkele tot vele tientallen meters zand bestrooid met grijze cementachtige wokkels. Chips! Wat is dat nu Wouter? Dat zijn nu de daalders waar jij naar zoekt. Crisis, what crisis? De grond ligt bezaaid met daalders.
Onze ‘dressman’ stort zich op z’n knieën om één zo’n natuurlijk muntstukje te bekijken. Hij vergeet zowaar z’n grijze krijtstreep.
Zandbinders
Geldproblemen
Wouter is inmiddels weer overeind gekrabbeld en met de armen wijd vraagt hij zich af; Zou dit dan werkelijk de bodem van de schatkist zijn ? Maar dan zijn die duinen van onschatbare waarde. Aha, het muntje valt! Grijp in! Want de grijze duinen verdwijnen, het areaal slinkt naar alarmerend kleine oppervlakten. Het ‘gratis geld’ is dan verdwenen en het duin eveneens in geldproblemen. ‘Ook dat nog, was ik toch maar dressman geworden’, verzucht hij. Jammer Wouter, voor daalders rapen is het nu te laat en zo,n crisis tekent je gelaat.
Vriendelijke groet joost Bouwmeester.

| Van: | Joost Bouwmeester (joostbouwmeester.fotografie@gmail.com) |
| Verzonden: | dinsdag 23 februari 2010 9:42:19 |
Een
bescheiden vogel
Bescheiden; kan dat van een vogel gezegd worden? Bescheidenheid is een menselijke gedragsvorm die eigenlijk maar weinig wordt toegepast en waargenomen. Want wat blijkt; ondanks het gezegde ‘Bescheidenheid siert de mens’ is zakkenvullen toch populairder. Andersom kan wel; een mens kan een rare vogel zijn.
Natuurlijk mag je plant of dier geen menselijke handelingen toedichten of vergelijkingen daaromtrent gebruiken. ‘Natuur in de buurt’ treedt die wet behalve met voeten ook nog eens met genoegen. Aangezien we het enige wezen op aard zijn welke graag in de spiegel kijkt, -de rest van de aardkloot ziet in die glasplaat alleen rivalen uit het niets verschijnen-, zullen we hem in deze rubriek ook graag voorhouden.
De Koperwiek is te onopvallend om op te vallen. Een grijze muis onder de lijsterachtigen, een grote familie met maar weinig kleur en die gekenmerkt wordt door zang. Een waarnemer zou hem in eerste instantie verslijten voor een zanglijster vanwege de gespikkelde borst. De duidelijke oogstreep en de koperkleurige oksels behoren echter aan de koperwiek toe. De vogel ontleent zijn naam aan die roestbruine vlek onder de wieken. De zanglijster heeft ons land in september en oktober verlaten en heel onopvallend heeft de koperwiek zijn plekje in genomen. Ze snoepen van je bessen, hakken in op het rottende fruit op je voedertafel, rommelen wat in het blad in je tuin en schijten op de schone was die maar niet wil drogen. Niks nieuws, een echte wissel zo van de reservebank.
Flash-mob
Die groepsvorming is heel doeltreffend. Toen de sneeuw na lange tijd ging smelten en de vorst uit de grond verdween, bevolkten grote groepen kramsvogels en koperwieken plotseling de weilanden. Je zou een sms berichtje voor een regelrechte ‘flash-mob’ vermoeden; Allen in het grasland. Het bodemleven in de weilanden kwam weer opgang en wormen waren weer bereikbaar door de kletsnatte ondergrond. Op die onbeschermde plek zijn ze echter een gemakkelijke prooi voor sperwer,havik en slechtvalk, maar de grote zwermen bieden de vogel een relatieve veiligheid.
In het voorjaar tot in mei blijven ze in Nederland. Net zoals ze gekomen zijn verdwijnen ze ook weer, niemand zegt goh, m’n Koperwiek is pleite. Het waren er duizenden maar ze versmolten schijnbaar in het landschap. Eenmaal in hun broedgebieden in de boreale naald- en berkenbossen van Scandinavië verheffen ze hun stem, maar ook weer bescheiden. Minder melodieus dan de nummer één notering van de meest gewaardeerde zangvogel van de Nederlandse natuurliefhebber; de merel. Net als die merel maakt de Koperwiek twee keer per jaar een nest met vier eitjes in een dichte struik. Wanneer rond de derde week in september Indian Summer invalt op de Scandinavische vida’s en grote groepen Koperwieken over de knalgele berken en vuurrode bosbesstruiken uitzwermen, zie je ineens waar die koperkleurige wieken voor dienen. Ze versmelten in het landschap.Vriendelijke groet Joost Bouwmeester. www.noordwijknatuur.nl

| Van: | Joost Bouwmeester |
| Verzonden: | vrijdag 12 februari 2010 14:01:44 |
Rust roest voor
wijsneus
Inderdaad bewonderenswaardig, en waar kunnen we dat dan bewonderen. Dat hangt sterk af van de soort. De kerkuil van Harry is bijvoorbeeld te vinden in een gebouw, een velduil ergens tussen het wuivende gras of plukken heide en de bosuil in een holle boom. Op de stilste plekjes in de een of andere tuin, begraafplaats of dicht dennenbos kunnen we de ransuil in een boom vinden. Ransuilen zijn echte nachtvogels en verstoppen zich overdag in dichte bossages van coniferen en vooral jonge grove dennen om daar de gehele dag te slapen of te wel ‘roesten’. Maar soms ook gewoon in een berk waar de fotograaf een prachtige kans kreeg om hem tijdens zijn dutje te portretteren.
Roestplaats
Vanaf de herfst tot ver in maart kruipen de ransuilen in tegenstelling tot alle andere soorten uilen bij elkaar en vormen een soort soos in zgn.roestbomen. Wel een heel saaie soos want er wordt de gehele dag gedut en zo nu en dan braken ze een braakbal uit. Verder gebeurd er geen bal. Of er moet ineens onraad zijn omdat ‘een mens’ hun gezapig leventje verstoort. Wanneer die verstoring serieus gevaar betekend verstarren ze, maken zich dun en zetten hun oren recht omhoog in een ultieme poging op een boomtak te gelijken. Die oren zijn overigens geen echte oren. Hun gehoororganen zitten aan weerszijde van de kop en hun gezichtsmasker dient als oorschelp. Of misschien is parabool het juiste woord. De veren op de kop, de oorpluimen dus, zijn slechts sierveren en dienen voor de onderlinge communicatie.
Een roestplaats met enkele roestbomen kan makkelijk 10 tot 15 ransuilen verbergen en wordt jaren achtereen gebruikt. De populatie van standvogels wordt in de winter aangevuld met trekvogels uit de noordoostelijke bosgebieden. Hoewel ze buiten het broedseizoen geluidloos leven, weten deze buitenlanders ze toch op een of andere manier te vinden. De standvogels delen vervolgens hun jachtgebied en hun slaapboom met deze emigranten. In hun jachtgebied jagen ze tussen lage bosschages en in open terreinen op muizen, ratten , slapende vogeltjes etc. Het zijn niet echt fijnproevers want de prooi wordt niet aan stukken gescheurd, zoals roofvogels dat doen, maar met haar en huid in één keer naar binnen geslikt.
Braakballen
Zoals bekend wordt
gulzigheid maar al te vaak bestraft met obstipatie en dus hebben alle
uilensoorten daar iets op gevonden. Tijdens het roesten in hun
roestboom
verteren ze de voedzame vlezige delen van de prooi en braken de
onverteerbare
haren, veren en botten weer uit. Die vind je dan in een grijze,
viltige, langwerpige
bal, een zgn braakbal op de bosbodem onder de boom. Wanneer je zo’n bal
openpeutert ontdek je tal van minuscule botjes ,tandjes en schedeltjes
van
vogels en muizen. Aan de hand van deze skeletjes hebben onderzoekers
ontdekt
waaruit hun voedsel bestaat. Aanstaande zaterdag 6 februari van 10;00
tot 11;30
geeft Natuur- en Vogelbescherming Noordwijk de jeugd de kans om onder
wetenschappelijke begeleiding van Leen Schouten, zelf een paar
braakballen uit
te pluizen opzoek naar botjes, schedeltje en misschien wel een
vogelringetje. Wel
eerst even aanmelden (jeugdnatuurclubnoordwijk@live.nl) want de
voorraad
braakballen is beperkt. Een uitgelezen kans om net zo wijs als Harry
Potter te
worden.
Vriendelijke groet
Foto Dennis van der Niet.

| Van: | Joost Bouwmeester |
| Verzonden: | vrijdag 12 februari 2010 13:51:50 |
Veel liefs uit
Pieterburen
De grauwe doodse winter waarin niks te beleven valt- zo lijkt het-, is ineens een feest als er sneeuw en ijs ligt. Als een gigantische bulldozer schuift het koufront heel veel watervogels zuidwaarts, die in onze streek in dergelijke aantallen nooit voorkomen. Behalve de trek van grote koppels ganzen en eenden hebben afgelopen week vogelwaarnemers van Natuur- en Vogelbescherming Noordwijk voor het eerst een trek van zeehonden in zee geconstateerd. Dat is heel bijzonder voor Noordwijk en hopelijk een nieuwe trend.
Tot aan de provinciegrens telden ze op één dag 47 gewone zeehonden in kleine groepjes naar het zuiden zwemmend. Het betreft vooral jonge beesten en ze naderen tot vlak bij het strand. Ze dartelen en spelen vlak achter de branding en kijken nieuwsgierig naar de koukleumers op de kant. Waarom de zeehonden deze trektocht begonnen zijn, is nog niet geheel duidelijk. Zeehonden zijn in gezonde toestand zeer goed bestand tegen het huidige weertype en de Waddenzee is niet dichtgevroren. Het positiefste scenario is dat voor onze kust voldoende vis te verschalken is. Het feit dat het vrijwel alleen jonge exemplaren betreft roept echter meer vragen op.Longworm
In de tweede helft van 2009 brak er plotseling in de Waddenzee (één van de meest vervuilde zeeën) een dodelijke ziekte uit onder de jonkies van gewone zeehonden van afgelopen zomer. Het betrof een zeer besmettelijke infectie van longworm en langs de gehele kustlijn werden slachtoffers gevonden. Ondertussen stroomt de zeehondencrèche van Lenie ’t Hart in Pieterburen vol, overvol zelfs. In het nieuws deed zij een oproep om oude ongebruikte badkuipen bij de crèche af te leveren omdat ze de toenmalige 180 exemplaren( inmiddels 212) niet meer kon huisvesten. Niet alleen in haar hart, maar overal in de crèche heeft Lenie ‘t Hart een plekje gevonden voor de zieke dieren. In barakken, maar ook in de laboratoria, kantoorruimte, douches, opslagruimten, garderobes, overal waar je een deur opent, kijken een paar prachtige ogen naar je. Nooit eerder keken zulke mooie ogen je van uit een jacuzzi aan.
De overlevingskansen van de zieke dieren is na een intensieve behandeling door een team van vrijwilligers groot. Voor slechts 3% van de binnen gebrachte dieren kwam hulp te laat. Voor het zeehondje op de zandbank voor de uitwatering van de Oude Rijn in Katwijk,die uitgebreid het nieuws haalde, kwam hulp helaas ook te laat. Kees Kooimans van EHBZ in Noordwijk kon het dier niet levend te pakken krijgen.
Hottub
Voor de kust van Noord-Holland zijn op het ogenblik ook veel jonge zeehonden in zee gezien. De kans dat je tijdens je strandwandeling een zeehond ziet, is dus aanmerkelijk toe genomen. Vergeet je verrekijkertje niet mee te nemen, want dan zie je die prachtige ogen van dichtbij. Meer zeehonden voor onze kust houdt ook in dat er vaker een ziek, hulpbehoevend exemplaar op het strand aanspoelt. Het enige wat je moet doen als je er een hulpeloos op de kant vind, is de EHBZ of 112 bellen. Hou dan vooral honden op afstand, want ze takelen het zieke dier genadeloos toe. Niet zelf met het dier gaan zeulen want de naam zeeHOND heeft ie niet voor niets. Ze blaffen weliswaar niet als een hond, maar bijten des te beter. Niet bellen als je er een in zee ziet zwemmen. Het is nu ff te koud voor Kees Kooimans om z’n zwembroek aan te trekken, anders belandt ie vast ook bij Lenie in de hottub tussen al die prachtige ogen.
Vriendelijke groet
| Van: | Joost Bouwmeester |
| Verzonden: | vrijdag 12 februari 2010 13:48:44 |
Sluipmoordenaar geeft
zich bloot.
Toch nog even terug naar die sneeuwbedekte landschappen van afgelopen weken.
Prachtig en avontuurlijk, maar het heeft zo z’n schaduwzijden. De moeilijke leefomstandigheden waarmee zoogdieren en vogels geconfronteerd worden, eisen hun tol. Om te overleven, lieten roerdompen de bescherming van rietvelden achter zich en leken hun angst voor de mens te verliezen. De nacht is in deze bevroren wereld niet lang genoeg om voldoende voedsel te vinden en daarom troffen we deze schuwe nachtvogel nu ook overdag jagend aan, soms op kale akkers en slootkanten foeragerend. Niet slim als je zo zeldzaam ben.Het sluwe sluipen zit hem in de genen, want op een onbeschut sneeuwveld verplaatst de roerdomp zich nog steeds sluipend. Terwijl hij op die plek toch gewoon ‘sitting duck’ is voor de slechtvalk en de havik. Zo gewend om zich ‘kruip-sluip’ door het riet te verplaatsen en nu is ie genoodzaakt buiten die vertrouwde omgeving zijn heil te zoeken. Het riet is zijn thuis , z’n ondoordringbare vesting waar ie helemaal op vertrouwd. Onzichtbaar lost ie op tussen de riet stengels omdat z’n verenkleed het zelfde licht en donker patroon vertoont als het riet. Wanneer de vogel namelijk rechtop gaat staan, lopen de donkerbruine en beige lengte strepen op hals en borst evenwijdig met de stengels van het riet. Roerloos- verklaart het eerste deel van z’n naam- wacht ie op zijn prooi, die niets vermoedend tot aan zijn voeten nadert. Vissen, padden, kikkers, salamanders, ratten,mollen, muizen, vogels, ja ook die hele schattige kleine eendenkuikens, allen zijn niet instaat om de harpoenerende dolksnavel te ontwijken.
Paalhouding
Wat voor z’n prooi geldt, geldt ook voor z’n belagers. Niet te vinden tussen de rietstengels. Het Escherachtige verenpatroon op de rug en vleugels vertoont gelijkenis met de rietpluimen waardoor ie van bovenaf niet door roofvogels wordt ontdekt. Ook op zijn ergste vijand- de mens- heeft ie zich goed voorbereid. Zodra die nadert, neemt de vogel de zgn ‘paalhouding’ aan. De vogel strekt het lichaam en de nek, steekt de snavel recht omhoog en blijft roerloos tussen de rietstengels staan. Zijn camouflage pak maakt een bundeltje riet van hem en je passeert hem ongezien op slechts enkele meters. Het aannemen van de paalhouding ter verdediging zit bij de roerdomp zo diep in de genen, dat de vogel op een kaal sneeuwveld ook gewoon de paalhouding bij naderend gevaar aanneemt. En dan sta je als roerdomp natuurlijk wel voor paal.
Veelwijverij
Normaal gesproken geeft de sluipmoordenaar met verdwijnkunsten zich pas in het voorjaar bloot. Niet dat’ie nu als een potloodventer met wijd opengeslagen vleugels uit het rietmoeras voor je opspringt, maar hij maakt sommige nietsvermoedende natuurliefhebbers weldegelijk aan het schrikken. Op windstille nachten lokt het mannetje een vrouwtje door een geluid wat nog het meest lijkt op een misthoorn. Als ‘s nachts dat hoempende geluid over mistige rietmoerassen klinkt, knijpt ze- zeker weten- haar handje steviger in de jouwe. Hij produceert dit ‘hoempende’ geluid door z’n keelzak flink op te blazen en vervolgens de lucht al boerend te laten ontsnappen. Probeer thuis maar eens, klinkt vertrouwd. Waarschijnlijk hoor je dan twee tellen later de slaande deur van een vertrekkende vrouw. De roerdomp man, daarentegen, ziet kans met z’n boeren meerdere, tot wel zeven vrouwtjes te versieren, die dan verspreid langs de randen van zijn territorium hun nest met eieren hebben. Een echte kerel dus en vast en zeker ook liefhebber van Amstelbier.
Die veelwijverij heeft niet kunnen verhelpen dat de roerdomp met slechts 300 broedpaar een uiterst zeldzame en kwetsbare broedvogel is. Nijver Nederland heeft in het verleden het overgrote deel van z’n rietmoerassen drooggelegd. De roerdomp met z’n harem stond vanaf dat moment op een droogje.
FOTO René van Rossum
Vriendelijke groet

| Van: | Joost Bouwmeester |
| Verzonden: | maandag 18 januari 2010 19:26:28 |
Strijd
tegen hongerwinter
Het ging fout toen regen op een nog bevroren aarde de bodem veranderde in een spiegelgladde ijsbaan. Een duinwandeling was vanaf dat moment een hachelijke onderneming. Alle paden,groot en klein, waren door een ijslaag in combinatie met alle oneffenheden onbegaanbaar. Het voedsel in de bodem werd door die ijslaag voor vogels onbereikbaar.
Meestal zijn de steltlopers als eerste de pineut. Met hun zachte uiterst gevoelige snavel kunnen ze niet meer in de aarde boren op zoek naar larven, insecten en schelpdieren. Wanhopig vliegen watersnippen, houtsnippen en bokje (de kleinste snip) heen en weer op zoek naar een onbevroren stukje grond. Slootkantjes in de buurt van sluisjes of afwaterende rioolpijpen zijn hun redding. De schuwe houtsnip belandt op zoek naar zachte onbevroren aarde regelmatig in de tuintjes in de bebouwde kom. Zijn onbehouwen manier van opvliegen zorgt dan vaak voor een dodelijke botsing met ramen waarin de vogel de spiegelling van de lucht inschatte als een vluchtweg.
Gemengde gevoelens voor vogelwaarnemers. Enerzijds veroorzaken deze winterse omstandigheden een grote sterfte onder hun vogeltjes. De in zachte winters opgebouwde ‘voorraad’ ijsvogeltjes is bijvoorbeeld zo goed als op. Maar anderzijds is er het enthousiasme over het gemak waarmee vogels nu te zien zijn en de hoeveelheid vreemde vogels, die hier anders nooit waargenomen worden. Roerdompen- een zeer zeldzame broedvogel- zijn inmiddels op veel plekken in rietkragen gezien en hebben hun schuwheid verloren. Wilde zwanen, kleine zwanen, toendrarietgans, kleine rietgans, brandgans, kolgans en zelfs één roodhalsgans hebben in onze polders een pitstop gehouden om bij te tanken. De meeste van deze soorten zie je wel hoog overvliegen maar zelden aan de grond in de Duin- en Bollenstreek.
Nu de duindoornbessen zo goed als op zijn en de ‘kroeg’ gesloten, komen grote groepen kramsvogels en Koperwieken hun heil zoeken in onze dorpen. De N206 heeft over een grote lengte van het traject een beplanting met meidoorn. De struiken zitten tjokvol vogels, hoofdzakelijk merels, kramsvogels en koperwieken. De bessen zijn door de vorst versuikerd en nu zeer aantrekkelijk vogelvoer. De voorbij razende auto’s eisen echter hun tol, hier en daar liggen hun levenloze lijfjes langs de wegkant. Hun slappe vleugels waaien op wanneer een auto passeert alsof ze de daders nog vriendelijk na zwaaien.
Wanneer jouw vogelexcursies door de gladheid beperkt blijven tot eendjes voeren in het park of de voederplak met pindaslingers thuis, valt er nog steeds veel te genieten van de vogelwereld. Wie zorgt voor een goed gevulde voederplank, kan nu veel mooie vogelsoorten verwachten. Al eens gedacht aan een tuin met besdragende heesters, zodat je de gehele dag groepjes kramsvogels en koperwieken op de bessen kan observeren? Vogelbescherming Nederland geeft brochures uit met informatie over de aanleg van vogelvriendelijke tuinen met veel besdragende heesters. Goed plan trouwens voor verpleeg- en ziekenhuizen, kunnen bewoners vanuit hun woonruimte of ziekbed genieten van de vogels. Zolang voedsel aanwezig is en bereikbaar blijft, lijkt de koude de vogels niet te deren. De zwarte ibis is daarvan het bewijs, want die werkt nog steeds onvermoeibaar aan de lopende band poelslakjes naar binnen om zich warm te stoken onder zijn verenpak. Maar o wee als de sloot dichtvriest, dan breekt ook voor deze vogel de hongerwinter aan.

| Van: | Joost Bouwmeester |
| Verzonden: | dinsdag 12 januari 2010 7:36:31 |
Glansrol
voor de glossy ibis
Ibissen ….vast wel van gehoord. Je kwam ze tegen op één van je uitputtende safari’s vanuit je luie tv-stoel met borrelnoten en bier. In grote groepen ‘wolkten’ ze uit nestbomen in ondoordringbare moerassen, waar een ‘mediawoudloper’ op fluistertoon verhaalde over ‘extremely beautyful’. Maar die vogels waren allen wit, spierwit en zelfs een keer diep roze-rood en zeker niet zwart zoals deze vogel. Het leven van de ibissen speelt zich voornamelijk af onder de mediterrane- en tropische zon. De familie ibis omvat veel soorten, waartussen ondermeer kaalkoppige en zelfs heilige ibissen. De status van heilig leverde de heilige ibis uit Egypte overigens geen bescherming op, want er werden er zo’n slordige 1,5 miljoen gemummificeerd terug gevonden in de graven van de farao’s. Daarom geen heilig verklaring voor de zwarte ibis in Noordwijk, ook al zag het zwart van het volk.
Oude WereldIn dit winterkleed is er van dat glossy zomerkleed nog niet veel te zien. Slechts de vleugels vertonen de eerste glans van het komende zomerkleed. Maar als dan eindelijk het winterse zonnetje doorbreek aan de Kraaierslaan, wordt de glossy ibis pas echt glossy. Fotografen drommen er om heen, sommigen liggen zelfs half in de sloot, camera’s ratelen, het wordt zonder enige twijfel de centerfold in een glossy magazine van deze maand en verslaat daar met gemak mooie, glossy Patricia Paay met haar namaak veren.
Vriendelijke
groet

| Van: | Joost Bouwmeester |
| Verzonden: | zondag 3 januari 2010 20:50:09 |
Vliegenzwam
staat model voor de kerstman
De Kerstman, een rasechte kindervriend, rode mantel en rode muts met wit bont omzoomd, spierwitte kriebelbaard, vliegend door het ijskoude winterse luchtruim in een arrenslee voortgesleurd door rendieren. Gelukkig is het kind, dat hem voort ziet ijlen tussen massa’s sterren aan het noordelijk firmament. Een geweldige waarneming, een memorabele dag. Hoe verzin je het?
Daar was maar weinig voor nodig beweren de bewoners in de meest noordelijke boreale (overgang van bos naar boomloze toendra) gebieden rondom de globe, die verantwoordelijk zijn voor de mythe van de kerstman. De vliegenzwam laat je zien wat je geloofd.
Berken vormen een zeer groot bestanddeel van de boreale bossen en de vliegenzwam leeft in nauwe associatie (symbiose) met de berk. Genoeg vliegenzwammen in het hoge noorden en de bevolking heeft proefondervindelijk ontdekt hoe de zwam voor consumptie te gebruiken is. Vliegenzwammen bevatten toxische verbindingen waaronder de vergiftige stof muscarine. Het in melk of suikerwater gedrenkte rode vlies van de hoed was ooit als vliegen-verdelgingsmiddel populair. Een betrouwbare waarneming komt van niemand minder dan Linnaeus zelf. Linnaeus maakt in zijn "Reis door Skåne" melding van hoe ook hij de vliegenzwam als zodanig gebruikte, door de pulp van rottende vruchtlichamen op de muur van zijn verblijf te smeren, waarna de insecten stierven. Hij gaf de vliegenzwam de Latijnse soortnaam Amanita muscaria (muscaria = vlieg). Twee eeuwen later werd uit de vliegenzwam het insecticide iboteninezuur geïsoleerd. Vandaar de naam vliegenzwam, maar een geheel andere kwaliteit van de vliegenzwam zou net zo goed verantwoordelijk kunnen zijn voor de naam. De stoffen in de hoed veroorzaken hallucinaties, een vergiftiging van het zenuwstelsel eigenlijk, en door de consumptie van de hoed ga je ‘vliegen’ oftewel trippen.
Gedrogeerd
Rendieren zijn gek op de vliegenzwammen, die massaal voorkomen in de herfst en raken volledig gedrogeerd door de jonge zwammen te eten. Het Siberische volk de Korjaken beschreven dat zij naar aanleiding van het gedrag van hun rendieren, overgegaan zijn tot consumptie van de paddestoel. Volkeren in de gortdroge ‘sneeuwwoestijn’ gebruiken, gedwongen door voedselschaarste, gewoonlijk alles van hun prooidieren. Niets wordt verspild en dus ook de urine van het rendier niet. De concentratie van de hallucinerende stof in vliegenzwammen is dermate hoog dat zelfs de urine van de rendieren nog drogerende stoffen bevatten. Om net zo high te worden als het rendier, dronken ze de urine van het beest. Dat was veel veiliger want het lichaam van het rendier had de schadelijke gifstoffen reeds gefilterd.
Het gebruik van gedroogde vliegenzwam- met een veel hogere dosis gif- werd tijdens rituele feesten voorbehouden aan het geselecteerde gezelschap van rijken en geestelijken(sjamanen). Voor sjamanen golden de paddestoelen als het materieel geworden goddelijke vlees die hen in contact bracht met de goden en hun spirituele wereld. Het was de hun omringende goden en demonen vrezende mensen toegestaan hun urine tijdens het rituele feest op te vangen en te drinken teneinde mee te reizen naar het hemelse. Daar gaat op een leuk feestje je ring van zelfvertrouwen door een slechte adem.
Volgens overlevering werd onder invloed van de zwam met de rood met witte stippen, hoog aan de hemel een man met lange baard gezien in een -ja daar heb je het- rood met witte mantel in een arrenslee, voortgetrokken door (ook die weer) rendieren. De verse hoed van de vliegenzwam heeft met zijn vlokkerige spikkels model gestaan voor de outfit van de Kerstman. Na een paar eeuwen is de hallucinatie omgevormd naar de huidige commerciële kerstman en van vliegenzwammen geen enkel spoor meer. Hoewel, let eens goed op afbeeldingen van de kerstman met zijn arrenslee in boeken, tijdschriften of op kerstkaarten. Regelmatig duikt er ,soms weggemoffeld in een hoekje en trouwens ver buiten zijn groeiseizoen, een afbeelding van een vliegenzwam op. Nog steeds een ode aan het historische wereldwijde rituele gebruik van deze zwam? De naar rijkdom,glitter en glamour smachtende latere generaties van de mensheid hebben die arrenslee in de loop der tijd rijkelijk gevuld met kerstcadeaus en chocolade. Wat ook weer een euforisch gevoel oplevert, zei het in veel beperktere mate.
Vriendelijke groet Joost Bouwmeester. www.noordwijknatuur.nl
FOTO;
Ineke van Dijk
